Een korte geschiedenis van de binnenstad

Geplaatst in 20e eeuw, Centrum op april 9th, 2011 door Tom

Na de Tweede wereldoorlog was het oostelijk deel van de oude binnenstad grotendeels verlaten, hier hadden de joden gewoond. De meesten kwamen niet terug, en bovendien waren hun huizen gestript bij de zoektocht naar brandstof tijdens de hongerwinter. De wederopbouw gaf bewoners van de binnenstad een auto, een wasmachine en vrije tijd maar geen parkeerplaats, tuin of doorzonwoning. De oplossing werd gevonden in de slaapstad; Purmerend groeide met een factor honderd, Almere werd in 1976 opgericht.

De binnenstad liep verder leeg, dat werd bestreden met het ontsluiten van die stad. Hiervoor moest weliswaar het oostelijk deel worden opgeofferd, maar het luxer westelijke deel kon worden gered. Er werd begonnen met de aanleg van een vierbaans straat terwijl de eerste metro de buitenwijken in groef. Beide botsten op de Nieuwmarkt.

Daar waren twee geheel verschillende groepen neergestreken. Aangetrokken door de stank van rotte funderingen. Enerzijds de speculanten op stijgende grondprijzen, anderzijds links radicalen met een anarchistisch ideaal, gratis wonen!
Krakers, achtergebleven bewoners en liefhebbers van historisch erfgoed sloegen de handen ineen. Zij boden verzet tegen de sloop en beschuldigden de gemeente van samenzweren met de vastgoed jongens.
Die gemeente, bestaande uit de vorige generatie links radicalen, was bezig met de uitvoering van het socialistisch ideaal: iedereen een auto en een huis met een tuintje. Helaas, dat ideaal had Jan met de Pet reeds in Almere en Purmerend gevonden.
Omdat hippies geen pr-adviseurs inhuren – ja maar, wij zijn ook tegen het groot-kapitaal, echt! – verloor de gemeente de strijd.

De autoweg werd afgebogen, en meer metro’s kwamen er (voorlopig) niet. De krakers gingen huren, en dertig jaar later worden zij op hun beurt beschuldigd. Zij duwen de rest van Nederland (lees Almere en Purmerend) hun linkse ideeën door de strot. Een weerwoord – ja maar, wij zijn tégen dwang, echt! – is er ook nu niet.

Burgerweeshuis

Geplaatst in Centrum op februari 18th, 2011 door Tom

450 jaar zorg voor weeskinderen

Met het stichten van de stad wordt het zorgen voor de onschuldigen genoemd als een van de taken van de raden (de latere burgemeesters).
In 1466 wordt de weeskamer opgericht, deze verzorgt vooral het beheer van geld en goederen van vermogende wezen, rond 1520 wordt dit overgenomen door het Weeshuis (later Burgerweeshuis).

Dit weeshuis wordt gesticht op de hoek van de Kalverstraat en de Sint Luciënsteeg ter hoogte van het huidige nr. 59. De stichting is toegeschreven aan Haesje Claes maar dat lijkt een abuis.
De organisatie van het Burgerweeshuis wordt vastgelegd in een keur van 1523. Zoals gebruikelijk bij openbare voorzieningen is het weeshuis alleen toegankelijk voor poorterskinderen.

In 1553 volgt een aanvullende keur voor het ‘schellen’ en de ‘derde schaal’. Bij het schellen gaan collectanten met schalen langs de huizen, ze kondigen hun komst aan met een bel. De ‘derde schaal’ is een derde collecte, iedere zondag in de Nieuwe Kerk. De collectanten zijn herkenbaar aan hun uniform: rood en blauw – later zwart. Dit uniform blijft tot 1919 kenmerkend voor de wezen uit het Burgerweeshuis.
Met de keur van 1553 wordt ook een grotere behuizing belooft. In 1558 wordt een huis aan de Kalverstraat  gekocht (nr. 71) met daarachter nog vier woningen die doorlopen tot aan het Rokin. Om de nieuwbouw te betalen wordt een loterij gehouden die 400 gulden opbrengt, voldoende om een goed pand neer te zetten.

In 1566 maakt men melding van een zeer vreemd tafereel: de kinderen ‘werden bevangen van een zo zonderlinge kwaal [...] zij klauterden als katten tegen de muren op [...] spraken zelfs uitheemse talen [...] De schout Pieter Pieterszoon scholden zij, om zijn wanstaltige lengte, uit voor een Deventer koek’
Dit gedrag is waarschijnlijk terug te voeren op moederkorenvergiftiging waarbij stoffen vrijkomen die dichtbij LSD liggen.

In 1570 wordt het Armemeisjeshuis gesticht als toevoeging voor het Weeshuis. Dit particuliere initiatief wordt echter tegengewerkt door het stadsbestuur, waarschijnlijk uit angst voor concurrentie bij het binnenhalen van giften.

Na de Alteratie krijgt het weeshuis de bezittingen van de Heilige Stede, het Karthuizerklooster en het Sint Luciënklooster, gebouwen en landerijen samen. In 1580 verhuisd naar het Sint Luciënklooster. De achter gebleven nonnen betrekken enkele huisjes in de Sint Luciënsteeg. Het voormalig weeshuis wordt verhuurd en gaat dienst doen als herberg.
Dat een klooster niet zomaar als een weeshuis is te gebruiken blijkt uit de lange rij verbouwingen die volgen. Als eerste wordt de ingang voorzien van een pleintje met poort waarbij de blik van de voorbijgangers wordt geleid naar de collectebus met daarboven het gedicht van Vondel.
In 1663 wordt het Weeshuis eigenaar van het naast gelegen Oudemannenhuis. Dit wordt bestemd voor de jongens terwijl de meisjes en jonge kinderen (tot 12 jaar) in het voormalig klooster blijven. Kinderen tot 5 jaar worden eerst ondergebracht bij gezinnen in de stad. Op ieder huis is een binnenmoeder en -vader aanwezig. De Regenten worden Buiten vaders/moeders genoemd en de overige functionarissen heten ook allemaal moeder of vader; zo zijn er de keukenmoeder, de kammoeder (tegen de luizen), en de wolmoeder (die de meisjes handwerken leert). De moeders en vaders zijn in dienst voor het leven bij het bereiken van een hoge leeftijd kunnen ze in het huis blijven wonen met behoud van inkomen. De dagelijkse leiding en  is in handen van de boekhouder, die ook voorzitter is van de regenten vergadering.
De wezen ontvangen onderwijs in hun eigen scholen en gaan daarna in de leer bij een meester of mevrouw. Meisjes krijgen van 12  tot 15 jarige leeftijd brei- en naailes waarna ze tot hun afscheid helpen in de keukens. Jongens gaan vanaf hun 14e in de leer, als leerling worden ze kostenloos lid van het gilde. Bij de beroepskeuze wordt rekening gehouden met afkomst zodat ze na het verlaten van het weeshuis in de ‘eigen’ klasse terugkeren. Ieder jaar op de zogenaamde mei-dag, worden alle wezen uitgezwaaid die het afgelopen jaar 20 zijn geworden. Iedere wees krijgt een uitzet mee, bestaande uit onder andere geld en gereedschappen of materialen om het geleerde vak uit te oefenen. Wie na 15 maanden een bewijs van goed gedrag kan overleggen krijgt nog eens 25 gulden. Als onderdeel van het ritueel worden de wezen uitgezwaaid met de woorden:
Schaamt u nooit te zijn geweest,
een Amsterdamse burgerwees

(Wel op z’n Amsterdams, anders rijmt het niet). Overigens worden wezen alleen uitgezwaaid als er in het eigen levensonderhoud kan worden voorzien. Zo is er sprake van een ‘meisje’ dat op 100-jarige leeftijd in het weeshuis overlijd. Ook na het uitzwaaien blijft men welkom. Mocht de wees het niet redden in de maatschappij dan staat het weeshuis klaar om hen weer terug te nemen.

Amsterdamse weesmeisjes in een gang voor een stadsprofiel van Amsterdam, 1902 - 1964

Door de enorme bevolkingsgroei worden in 1584, 1631 en 1634 de toelatingseisen verhoogd. Wezen moeten zijn geboren uit ouders die beiden reeds 12 jaar poorter zijn ten tijde van het overlijden. Wezen van 9 jaar of ouder worden niet langer opgevangen, later wordt de leeftijd weer verhoogd naar 12 en uiteindelijk kunnen wezen tot 16 jaar terecht.

Het Armemeisjeshuis (nu Maagdenhuis) is in 1620 samen met het Roomsh Catholiek Weesjongenscomptoir de eerste officiële niet protestantse instelling, maar daarna gaat het snel: In 1631 richt de Waalse gemeente een weeshuis op, in 1651 de Engelse Kerk, in 1657 de Gereformeerde Kerk (Diakonieweeshuis), in 1675 de Doopsgezinde gemeente en in 1678 de Evangelische Luthersen. Op de plek van de huidige Stopera wordt ook een Joods weeshuis gebouwd, in de literatuur is hierover vreemd genoeg weinig te vinden.

Ondanks deze groei van weeshuizen blijven er wezen die nergens terecht kunnen, zij komen in het Almoesseniers-huis dat de opdracht krijgt om vondelingen en andere wezen op te vangen. Het aantal kinderen in deze instelling loopt snel op; in 1649 zijn er al 600 In 1665 wordt er een nieuw Aalmoesseniersweeshuis gebouwd op de Prinsengracht (nu Paleis van Justitie). In 1680 wordt dit uitgebreid met een ziekenhuis, en een aanbouw zodat het gebouw groot genoeg is voor 1300 kinderen.
Voor de bekostiging krijgt het Aalmoesseniers-Huis het recht een veelheid van kleine belastingen te heffen; van begrafenisheffingen tot hondenbelasting.

Het Burgerweeshuis blijft ondertussen ook groeien. In 1664, vlak na een grote pestepidemie, wordt onderdak verschaft aan 1000 wezen. Het complex is zeer zelfredzaam, het heeft eigen dokters, koks, schilders, timmerlieden zelfs een eigen brandweer. Door de relatieve geslotenheid en de goede verzorging ontsnapt men grotendeels aan de epidemieën die de stad teisteren. Vanaf de 18e eeuw gaan de zwakkere onder de wezen in de zomer twee maanden naar Zandvoort,  om aan te sterken. Ook dit kuren wordt later in eigen beheer gedaan, men bouwt een sanatorium in Bergen aan Zee nu bekend als het Zeehuis.

De 19e eeuw is een roerige periode voor de weeshuizen. Door het afschaffen van het poorterschap is het onderscheid tussen het Burgerweeshuis en het – veel schameler – Aalmoesseniersweeshuis weggevallen. In 1811 wordt voorgesteld deze twee instellingen samen te voegen. Het Burgerweeshuis kan dit voorkomen door sterk te bezuinigen. Inwoners van Amsterdam kunnen hun kinderen inschrijven voor het Burgerweeshuis, eerst voor vijftig gulden, later voor 1,50. Deze regeling is echter weinig succesvol en het aantal wezen neemt langzaam af.

Het Aalmoesseniersweeshuis telt in 1811 4304 kinderen, drie kinderen in één kribbe en dan nog moeten de kribben boven elkaar worden geplaatst. Het aantal vondelingen loopt op van 20 per jaar in de 18e eeuw naar 855 in 1817. Kenmerkend voor de omstandigheden in dit instituut is de het sterftecijfer onder deze 855, bijna de helft sterft voor het 10e levensjaar.
Uit onderzoek in 1815 blijkt dat van de 342 vondelingen die in 1792 zijn opgenomen er nog maar 64 in leven zijn, nog geen 20%. Van die 64 zijn er 44 maatschappelijk actief, meestal als soldaat of ‘dienstbode tegen een gering loon’.

Door een koninklijk besluit worden in 1820 wezen naar de (later) beruchte veenkoloniën gestuurd. Door af te zien van verdere subsidies plaatst het Burgerweeshuis zich buiten deze regeling, die alleen geldt voor armenzorg die afhankelijk is van rijkssubsidies. Hierbij komen de bezittingen van de voormalige kloosters goed van pas, deze stukken land zorgen voor een inkomen uit pacht en huur.

Het Aalmoesseniersweeshuis gaat in 1828 op in de Inrichting voor Stadsbestedelingen. Ondanks protesten van de Amsterdamse bevolking gaan alle kinderen van het Almoesseniersweeshuis naar Veenhuizen of Ommerschans. Na 1854 als het experiment mislukt is, zoekt men naar andere alternatieven. Directeur F. Beudeker bedenkt een gezinsverplegings regeling. Hierbij worden wezen voornamelijk buiten de stad bij gezinnen ondergebracht waar zij eenmaal per week worden bezocht. De gezinnen worden streng geselecteerd en de regeling wordt contractueel vast gelegd en goed gecontroleerd. Het geheel is een succes.

Het Burgerweeshuis blijft vasthouden aan de oude wijze. Terwijl andere weeshuizen de aanpak van Beudeker volgen en hun wezen in gezinnen onderbrengen, blijven de Burgerwezen binnen de muren en in het uniform.

Tegen het eind van de 19e eeuw worden een aantal kinderwetten aangenomen, gevolgd door de leerplichtwet van 1900. In dat jaar komt er in het Burgerweeshuis ook een eind aan het bestuur van de regenten. Het stadsbestuur benoemd een Commissie voor burgerlijk armenbestuur die verantwoordelijk wordt voor het teruglopende aantal wezen. Die terugloop is vooral te verklaren door de verbeterde gezondheidszorg. Vooral in de 17e eeuw wordt Amsterdam geteisterd door grote epidemieën waarbij ouders sterven en er veel wezen bijkomen.

Jongensplein met kastjes en boom

De typische Burgerwees-uniformen worden in 1919 afgeschaft, en vanaf 1921 geeft het dit weeshuis ook onderdak aan ‘gasthuiskinderen’ die tijdelijk worden opgevangen als moeder in het ziekenhuis ligt.
In 1925 vraagt de gemeenteraad B&W om alle wezen door het zelfde instituut te laten verzorgen. Uiteindelijk komt B&W in 1937 met een voorstel. In 1940 vordert de Duitse bezetter het gebouw van de stadsbestedelingen en verdwijnt het verschil.
In 1955 wordt opdracht gegeven nieuwbouw te ontwerpen aan het IJsbaanpad. In 1960 is dit gebouw gereed en verhuist het burgerweeshuis voor het eerst in 380 jaar naar een nieuwe plek. Er is dan nog maar één Burgerwees, de overige kinderen zijn afkomstig van de Inrichting van Stadsbestedelingen. De instelling veranderd van naam, eerst Sociaal-agogisch centrum en daarna (samen met andere instellingen) Spirit. Op het hoofdkantoor van Spirit worden nog steeds voorwerpen uit het Burgerweeshuis tentoongesteld.

Tussen 1968 en 1975 wordt het voormalige Burgerweeshuis aan de Kalverstraat ingrijpend verbouwd om onderdak te bieden aan het Amsterdams historisch museum, het huidige Amsterdam museum. Vooral aan de buitenzijde van het gebouw zijn nog veel aspecten van het weeshuis bewaard, onder andere de toegangspoorten en het grote jongens- en meisjesplein. Ook de kastjes voor de jongens die buiten een opleiding volgden is er nog, de boom op het plein is in 1898 geplant bij de geboorte van prinses Wilhelmina. Binnen het gebouw is de regentenkamer nog grotendeels intact.

Bronnen:

Het Amsterdams Burger-Weeshuys: een stadje in een stad
Amsterdamse hofjes
Liefde het fundament: 400 jaar Roomsch-Catholyk Oude Armen Kantoor te Amsterdam
Kinderen van Amsterdam: Burgerweeshuis, Aalmoezeniersweeshuis, Diakonieweeshuis, Sociaal-agogisch Centrum
Amsterdam burgerweeshuis
In het Weeshuis: de zorg voor de Burgerwezen van Amsterdam 1580-1960
Sint Antonivuur

Afbeelding:

AHM Collectie online

Tags: ,

Oudemanhuispoort

Geplaatst in 1602, 1754, Centrum op december 17th, 2010 door Tom

Bejaardenhuis avant la lettre

De Oudemanhuispoort is feitelijk een steeg met aan beide zijden een poort en daartussen ook nog een poortje. De naam komt van het voormalig Oudemanhuis dat zich aan de noordzijde van de steeg bevond. Dit deel van het complex is in 1602 gebouwd in de boomgaard van het Oude nonnenklooster (Sint Mariënveldklooster)

Beeldengroep aan de Kloveniersburgwal

Het Oudemanhuis is één van de voorzieningen die in Amsterdam zijn gesticht voor ouderen zonder kinderen. Een stad als Amsterdam kent meer opvang voor oude lieden, naast de hofjes zijn er zogenaamde proveniershuizen. Dit zijn plaatsen waar de beter gesitueerden zich kunnen inkopen. De echte arme oude lieden (zonder kinderen) zijn aangewezen op burenhulp en de openbare armenzorg. Mocht men zonder onderdak komen dan blijft helaas alleen bedelarij over.

Het Oudemanshuis is met een stichting in 1548 één van de oudste oude lieden huizen. Het is begonnen in de Kalverstraat als Oudemannen- en vrouwengasthuis. De mannen verhuizen als snel naar een gasthuis tegenover de Heilige stede, de plek van het huidige Amsterdam museum. Zoals veel andere stichtingen is dit niet voor de aller armste lieden zoals blijkt uit de bepaling dat men o.a. een goed bed, ruim beddengoed, twee stoelen en gordijnen moest meebrengen.
Om in het huis te kunnen wonen moest men poorter, ouder dan 50, ongehuwd en kinderloos zijn. Zoals gebruikelijk zijn er ook nogal wat bepalingen over gedrag en gehoorzaamheid.
De regenten voeren echter een vrij willekeurig beleid van opname en in de praktijk blijken ook anderen te worden toegelaten. Relaties en invloed spelen hierbij zeker een rol.

Eind 16e eeuw hebben zowel het oudemannenhuis, als het aangrenzende burgerweeshuis ruimte tekort. De oplossing wordt gevonden in een loterij ten behoeven van een nieuw te bouwen oude mannen- en vrouwenhuis.
Deze loterij is een groot succes en nieuwbouw wordt in 1600 gestart. De gebouwen zijn fraai uitgevoerd en gelegen rond een binnenplaats met siertuin en bleekveld. Bezoekers melden de bijzonder luxe uitstraling van dit huis bij de bouw. Bij een gravure van het gebouw valt te lezen: ‘je vraagt je af or er in dit schitterende gebouw koningen wonen? Het is een paleis voor armelui’

Reeds in 1614 wordt het complex als oude mannenhuis aangeduid terwijl er altijd (ook) vrouwen wonen. De maximale bezetting wordt eind 16e eeuw bereikt als er 200 oude mensen wonen, voorzien van kost en inwoning.

In 1754 wordt het huis uitgebreid verbouwd dan worden ook de poorten aan de beide zijden toegevoegd. De binnenpoort en de poort aan de zijde van de Kloveniersburgwal zijn ontworpen door Abraham van der Hart, stadsbouwmeester. Het beeldhouwwerk is van Anthonie Ziesenis. Het is een voorstelling van de Mildheid met de hoorn der overvloed, het boek der wijsheid en de lamp van inzicht. Geflankeerd door armoede en ouderdom. De poort aan de Oudezijds achterburgwal, is versiert met een bril als het symbool van ouderdom.

Oudemanhuispoort - Oudezijdsachterburgwal

Doordat de boeken verloren zijn gegaan is de financiële gang van zaken niet geheel duidelijk. Uit verzoeken aan de burgemeesters blijkt echter een bijna permanent begrotingstekort. Door de economisch zware tijden wordt het huis in 1800 proveniershuis. De bedragen die men betaald lopen uiteen van 600 tot 2000 gulden. Door deze voorwaarden loopt het aantal bewoners snel terug. In 1831 wonen dan nog maar ‘een dertigtal’ oude lieden. Veel rust krijgen deze lieden echter niet van hun geld; rond deze tijd zoekt het stadsbestuur namelijk een plek voor het verplegen van de verwachte slachtoffers van van de cholera. Die ziekte verspreid zich vanuit het zuiden van Europa. Omdat het complex goed is af te zonderen van de rest van de stad kiest men voor het Oudemanhuis. De epidemie is minder heftig dan gevreesd want kort daarna wordt ook het museum Van der Hoop in het gebouw gevestigd. Wat er met de oude lieden gebeurd is niet bekend, zeker is dat zij niet terug kere. Delen van het huis worden ook gebruikt als hulphospitaal door het naast gelegen binnengasthuis en vanaf 1836 tot 1875 wordt het complex ook nog gebruikt door de Academie voor beeldende kunsten. Met als voorwaarde dat het complex ontruimd wordt als er een cholera epidemie dreigt. Het moge duidelijk zijn dat dit voor de nodige vrijving zorgt.
Vanaf 1877 krijgt Amsterdam een officiële universiteit. De Universiteit van Amsterdam wordt gevestigd in het Oudemanhuis en maakt daar tot op heden gebruik van. Ook de boekverkopers binnen de poort zijn al lange tijd actief, reeds 125 jaar geleden waren er boekwinkeltjes gevestigd.

Bronnen:
De Poort: de Oudemanhuispoort en haar gebruikers, 1602-2002
Het Amsterdams beeldenboek: vier eeuwen buitenbeelden (1600-heden)
Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578
Geschiedenis van Amsterdam, Deel II-1. Centrum van de wereld 1578-1650

Tags: , , ,

Hofje van Brienen

Geplaatst in 1806, Centrum op december 3rd, 2010 door Tom

Of: de geschiedenis van Van Brienens gesticht ‘De Star’

Het verhaal gaat dat Arnold Jan van Brienen bezig was in een kluis in zijn kelder toen de zware kluisdeur dichtviel. Zijn (schijnbaar erg luide) gebed tot verlossing werd enige uren later verhoord, en zijn huisgenoten wisten hem te bevrijden. Uit dankbaarheid besloot hij een hofje te bouwen. Als een van de weinige hofjes in de stad is Van Brienens gesticht de Star gesticht bij het leven van de stichters Arnoud Jan van Brienen (1735-1804) en Sophia Maria (van) Half-Wassenaer (1727-1802).

Versiering boven de hoofdingang

Het hofje is gebouwd op het terrein van Brouwerij de Star en heet officieel dan ook ‘Van Brienens hofje De Star’. De brouwerij is in 1692 gestart op drie percelen aan de Prinsengracht plus de achterliggende percelen. Later koopt de brouwerij ook nog de percelen aan beide zijden. In 1795 koopt Van Brienen deze grond op een veiling en twee jaar later geeft hij opdracht aan Abraham van der Hart om een hofje te ontwerpen. Zij kennen elkaar omdat Van der Hart in 1784 een gebouw heeft ontworpen voor het R.C. Maagdenhuis, waar Van Brienen regent is.

Door slechte economische omstandigheden na de stichting van stichting van de Bataafse republiek (1795) wordt start van de bouw uitgesteld tot 1803. De eerste bewoners komen in 1806, Rooms katholieke minvermogenden die anders tot armoede zouden vervallen. Het hofje is bedoeld voor mannen, maar vanaf het begin zijn ook echtparen en alleenstaande vrouwen welkom. Omdat mannen niet in staat worden geacht een huishouden te voeren worden weduwnaars zelfs van het hofje verwijderd, met als gevolg dat er soms alleen vrouwen op het hofje wonen.

Van de buitenzijde oogt het hofje streng met een hoge blinde muur, en alleen rond de hoofdingang enige versiering. Bij de bouw is ook de binnenplaats streng verdeeld in vier bleekvelden maar vanaf de jaren dertig van de 20ste eeuw komen er tuin elementen die leiden tot het huidige, vriendelijke karakter. De Regentenkamer, de kapel en de portierswoning zijn aan de voorzijde gevestigd. De zijbeuken zijn voor echtparen en alleen wonende mannen, de kleinere woninkjes aan de achterkant vormen het weduwenhof. Boven de woningen zijn tot 1886 graanzolders die worden verhuurd om de kosten van bedeling te dekken. Door teruglopende inkomsten uit verhuur van de zolders besluit men deze te verbouwen tot woningen.

Het beheer en onderhoud is in handen van de portier(ster). De portier huurt werklieden in voor reparaties en klein onderhoud en verzorgt de schoonmaak van de voorzijde, hij houdt ook toezicht op het komen en gaan van bewoners en controleert de schoonmaak van de binnenplaats en de woningen. De portier is ook verantwoordelijk voor het openen en sluiten van de poorten en mag de sleutel onder geen beding afgeven.

Eerst worden de kosten voor onderhoud en bedeling betaald door de Van Brienens. Vanaf 1839 wordt het hofje ondergebracht in een stichting door Arnold Willem van Brienen kleinzoon van de stichters. Er komt een College van drie Regenten en de afstand tussen hofje en regenten neemt steeds meer toe. Zo wordt de portier belast met het op de hoogte stellen van het overlijden van een bewoner, zodat de regenten een nieuwe kunnen kiezen. De administrateur is de feitelijke bestuurder die opereert namens de regenten. Hoe groot het vertrouwen is blijkt uit het feit dat vader, zoon en kleinzoon Westerwoudt samen 85 jaar lang deze functie vervullen. In 1954 wordt de administrateur zelfs gemachtigt nieuwe regenten te benoemen. Verschillende leden van de familie Van Brienen zorgen in eerste instantie voor een gezonde financiële situatie. Omdat het vermogen in staatsobligaties is belegd komen de verschillende geldontwaardingen in de eerste helft van de 20e eeuw hard aan. De bedeling wordt na 1940 zeer moeilijk en in 1948 zelfs geheel gestopt. Vanaf 1951 wordt aan bewoners een bijdrage in het onderhoud gevraagd. Aanvankelijk 2,50 per maand, loopt dit in 1976 op tot 65,- per maand en in 1986 220,- per maand. Dan wordt het ook formeel huur en kan huursubsidie worden aangevraagd.

1816 -

Beeldbank Stadsarchief - Gerrit Lambrets

De moderne tijd gaat niet voorbij aan het hofje, hoewel sommige dingen ook hardnekkig het zelfde blijven. Reeds in 1890 wordt er een duinwaterleiding aangelegd .Ondertussen wonen er geen echtparen meer op het hof, met het samenvoegen twee kamertjes worden een paar woningen uitgebreid.In 1961 worden de zeer kleine huisjes verbouwd maar niet vergroot, de bedsteden worden verwijderd en bewoners krijgen een inpandig toilet. In 1972 wordt er opnieuw verbouwd, de woningen worden vergroot en gaan van 40 naar 21.
De grote veranderingen komen echter van de bewoners zelf: in 1956 komt er een breed gesteund verzoek tot verruiming van de openingstijden. Hoewel ook de portier klaagt dat hij ‘s avonds laat het bed uit moet om de poort te openen, krijgen bewoners pas in 1976 een eigen sleutel. In 1991 ontstaat onder leiding van de portierster een bewonerscommissie, die contacten gaat onderhouden met de regenten.

Bestuurlijk ontstaat van 1984 een samenwerking met het R.C. Maagdenhuis. De financiële situatie is dan nijpend terwijl er een aantal structurele bouwkundige problemen zijn. De voorgaande renovaties zijn wegens geldgebrek niet ingrijpend genoeg geweest, er zijn problemen met vocht in de souterrains, tocht in de woningen en een gammele gang op zolder. De dunne muren zijn gehorig en het sanitair is sterk verouderd. De enige oplossing is een ingrijpende renovatie. Die wordt geschat op 5 miljoen, men krijgt uit monumentenzorg 2 miljoen maar verder is het geld op. De oplossing komt in de vorm van van woningbouwvereniging Het Oosten. Die krijgt het hofje in 1995 in eigendom en start in dat zelfde jaar met een verbouwing die 14 maanden duurt.
Geen van de oude bewoners keert na renovatie terug zodat kan worden gesproken van een nieuwe start in 1997.

Het hofje wordt nu bewoond door dames en heren ouder dan 50 en is iedere werkdag geopend van 6.00 tot 18.00 en op zaterdag van 06.00 tot 14.00
Zoals altijd bij bezoek: respecteer de rust op het hof en de privacy van bewoners.

Bron:

Hofje van Brienen, twee eeuwen Amsterdams hofjesleven

Tags:

Figure Découpée

Geplaatst in 1965, Zuid op november 19th, 2010 door Tom

Picasso in het Vondelpark

Figure Découpée van Pablo Picasso is niet gemaakt door Picasso en heet eigenlijk geen Figure Découpée.

Figure Découpée - Pablo Picasso

In de volksmond heet het beeld ‘de vis’ maar als je wat beter kijkt (let op de poten) blijkt het om een vogel te gaan. L’ Oiseau (de vogel) is de naam van het beeld in de catalogi.
Het beeld is in 1965 gemaakt door Carl Nesjar, een Noorse kunstenaar, op basis van een blikken beeldje van Picasso. Nesjar voerde het beeld uit in beton, en de lijnen zijn er in gegraveerd. Picasso was erg enthousiast over het beeld, maar heeft het voor zover bekend nooit in werkelijkheid gezien.
Het beeld werd in 1965 tentoongesteld in het Vondelpark als onderdeel van het 100-jarig jubileum van het park. Picasso schonk het beeld aan Amsterdam, een vriendendienst aan Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk museum. Voorwaarde was wel dat het beeld blijvend tentoongesteld zou worden.

Daarna blijft het een aantal jaren rustig rondom het beeld, totdat Stadsdeel Zuid het Vondelpark moet renoveren. Het benodigde budget is te groot voor het stadsdeel, dus men stapt naar de Centrale Stad. Daar is het antwoord: “Jullie willen zo graag deelraad zijn, dan zoek je het zelf maar uit”.

Goed dan, denkt stadsdeelbestuurder Herman Wals, we gaan wat herrie schoppen. Hij bedenkt een plan om het beeld van Picasso te verkopen. Zijn opvolgster Rita Weeda mist helaas de ironie van dit voorstel en gaat er in 1994 serieus mee aan de slag. Dit levert vervolgens een mooi partijtje over en weer schreeuwen op tussen Weeda en wethouder Ernst Bakker van Cultuur.
Weeda maakt daarbij de faux pas om het beeld diefstalgevoelig te noemen en stelt voor het door een replica te laten vervangen. Bakker roept dat dit niet kan, alleen al wegens auteursrechtelijke redenen.

Maar het was toch al een replica?

Standbeelden

Bronnen:

Het Amsterdams beeldenboek: vier eeuwen buitenbeelden (1600-heden)
Buitenbeeld in beeld

Tags:

Hildo Krop

Geplaatst in 1884, 1970, Centrum, Noord, Oost, West, Zuid op september 12th, 2010 door Tom

Stadsbeeldhouwer

Iedereen die enige tijd in de Amsterdamse openbare ruimte verblijft, wordt geconfronteerd met het werk van Hildo Krop. Hij neemt een grote plaats in binnen de zichtbare geschiedenis van Amsterdam, vooral wat betreft het tijdvak 1920-1940.

Uit alle aspecten van het werk van Krop blijkt zijn intellect en betrokkenheid, een hekel aan luiheid, gemakzucht en enig spoor van dikdoenerij, maar boven alles spreekt er energie en een groot optimisme uit.

Naast het ontwerpen van beeldhouwwerken heeft Krop zich ook op andere terreinen begeven: hij maakt illustraties, aardewerk, meubels, houtsneden, (toneel)maskers, medailles en keramiek.
Krops beelden tonen een grote verscheidenheid: in tijd, plaats, onderwerp, materiaal en techniek. Natuur, mens en fabel worden gebruikt voor symboliek en allegorieën en ook de mens zelf komt in allerlei gedaanten terug, waarbij ‘de arbeider’ en Gijsbrecht van Amstel favoriet zijn.

B51 Robbekop uitlopend in golven

Jeugd en Opleiding

Hildo Krop wordt geboren in 1884 te Steenwijk als zoon van een bakker. Zijn opleiding tot bakker brengt Krop naar Leiden, Amsterdam, Groningen, Brussel, Parijs, Zandvoort, Milaan en Eltham (Engeland). In die plaats komt hij in contact met oude adel die hem ziet tekenen en hem aanraadt daarmee verder te gaan. In 1907 vertrekt Krop naar Parijs om schilder te worden. Naast tekeningen en schilderijen maakt hij daar plastieken. Terug in Nederland gaat Krop naar de Rijksacademie te Amsterdam waar hij in 1911 afstudeert.
Uit brieven uit die tijd blijkt reeds zijn liefde voor het socialisme: “Mijn leven is al veel rijker [...] ‘k heb m’n werk en ‘t socialisme”. Dankzij een zilveren medaille bij de Prix de Rome kan Krop een jaar naar het buitenland. Hij gaat naar Berlijn, Rome en Parijs.

Eind 1912 is hij weer terug in Amsterdam. Daar krijgt hij zijn eerste opdrachten, onder andere voor beelden op het Scheepvaarthuis. Het gebouw wordt zeer goed ontvangen en mede als gevolg hiervan komt Krop in dienst van de gemeente Amsterdam.
Krop trouwt in 1914 met Willemina Frederika Sleef.
In 1916 wordt bij gemeentelijk besluit de ‘directeur der publieke werken’ bevoegd ‘zo vaak hij nodig acht’ opdrachten te verstrekken aan Krop. Volgens het besluit wordt Krop geacht een ontwerp in klei, een gipsafgietsel en het beeldhouwwerk zelf aan te leveren. Hij krijgt daarbij een vast honorarium per halve dag. Krop is vanaf dat moment feitelijk de stadsbeeldhouwer.

Aanstelling gemeente Amsterdam

Directeur van de dienst Publieke Werken (PW) is ir. A.J. Hulshoff. Hulshoff heeft in de jaren twintig en dertig grote invloed gehad op de Amsterdamse architectuur, als opdrachtgever, architect en mentor. Hulshoff is ook verantwoordelijk voor de voordracht van Krop bij B&W.
Onder leiding van ir A.W. Bos is de dienst PW verantwoordelijk voor fraaie wijken in Zuid, de Spaarndammerbuurt en Noord.
Door het idee van gemeenschapskunst ontstaat bij de bouw van deze wijken een eenheid tussen de verschillende aspecten van gebouwen. De beeldhouwkunst is hierbij een integraal onderdeel van het gebouw, zonder het beeldhouwwerk ondergeschikt te maken. Krop is bij uitstek in staat om dit evenwicht te bereiken.
Voor de gemeente Amsterdam werkt Krop samen met de architecten Piet Kramer, M. de Klerk, P.L. Marnette, N. Lansdorp en C.J. Blaauw.
Piet Kramer – ook in dienst van de gemeente en een vriend van Krop – ontwerpt een groot aantal bruggen, vaak met sculpturen van Krop (zie kaart).
Kramer zal later het laatste gebouw in de stijl van de Amsterdamse School ontwerpen: de Bijenkorf in Den Haag. Ook hiervoor maakt Krop de beeldhouwwerken.

Naast zijn ontwerpen voor de gemeente Amsterdam krijgt Krop ook een aantal opdrachten van anderen, ook buiten Nederland. Omdat Krop ook vader en echtgenoot is, geeft hij echter de voorkeur aan de gemeente Amsterdam als opdrachtgever. Artistiek gezien komt hij daar niets te kort en op zijn hoogtepunt, tussen 1921 en 1930, maakt hij een groot aantal ontwerpen voor karakteristieke gebouwen in de stad (zie kaart nrs. B26-B85). Deze worden goed ontvangen; in een artikel wordt zijn ontwerp voor brugpeilers (B26) een ‘gedicht in steen’ genoemd. Krops werk in deze periode is stoer en zakelijk met een sterke dynamiek, maar kent tegelijk subtiliteit en aandacht voor detail.

B13 Voormalige HBS

Erkenning en kritiek

Met een tentoonstelling in Parijs (1925) en zijn eerste monografie (1928) krijgt Krop erkenning, maar ook onvermijdelijk kritiek. Het tijdschrift De Stijl schrijft afkeurend over het Parijse werk, en ook Krops monopolie positie bij de gemeente Amsterdam komt ter discussie te staan.
Publieke Werken is echter zeer te spreken over Krop, die een goede organisator is en net als de gemeente socialistisch. Wellicht speelt Krops bereidheid om voor een laag honorarium te werken een rol in de waardering van de dienst

Na 1930 komt de Nieuwe Zakelijkheid als stroming naar voren in de architectuur. Binnen de architectuur vormen beelden meer een autonoom element, dat echter wel zijn relatie tot het gebouw en de omgeving behoudt, Krops beelden worden in dit decennium strakker en helderder.zie het politiebureau aan de Marnixstraat (B103).
De gemeente Amsterdam begint ook andere kunstenaars opdrachten te verstrekken en Krop gaat meer voor andere opdrachtgevers werken. Door de crisis en de veranderde opvattingen over bouwkunst neemt gedurende de jaren ‘30 het aantal opdrachten af.

Krop wordt in 1941 om politieke redenen van zijn functies ontheven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakt Krop verder alleen werk in privé opdracht en vrije werken. Ondanks zijn openlijk socialistische sympathiën wordt Krop pas in 1944 opgepakt en dan na ondervraging weer vrijgelaten.
Reeds op 2 juli 1945 roept de directeur van Publieke Werken B&W van Amsterdam op om Krop eerherstel te geven en hem op zijn oude positie terug te laten keren. B&W weigeren, bang voor kritiek op Krops vermeende monopolie positie. Dat deze kritiek ongegrond is blijkt wel uit Krops inspanningen als voorzitter van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers (NKB), waar hij zich een pleitbezorger voor jonge kunstenaars toont.

Latere jaren

Vanaf 1946 is Krop weer in dienst van de gemeente Amsterdam, maar niet meer in de voorhoede. Kenmerkend is de officiële herdenking van de februaristaking van 1941. Die vindt niet plaats op de Oosterbegraafplaats van Krop (Mo28) maar bij de Dokwerker van Mari Andriessen.
Toch bijft Krop bezig, met vrij werk en opdrachten voor zowel de gemeente als anderen. Door de nieuwe architectuur worden dit steeds meer monumenten of los staande beelden.
In 1956 krijgt Krop (dan 72 jaar) de eervolle titel stadsbeeldhouwer; de eerste met die titel sinds Hendrick de Keyser in de 17e eeuw. Hij wordt ook benoemd tot adviseur voor de beeldhouwkunst binnen PW. Daarnaast kan Krop als NKB voorzitter zijn invloed doen gelden tijdens de percentage regeling, die in 1951 officieel wordt ingevoerd. Binnen deze regeling wordt bij de bouw 1%-1,5% van het totale budget bestemd voor kunstwerken bij het gebouw. Dit resulteert in een grote stimulans voor beeldende kunst.

Krops laatste grote opdracht is een beeld van Berlage (Mo48). Dit volledig in natuursteen uitgehakte beeld vraagt nogal wat van Krops uithoudingsvermogen en (afnemende) kracht, hij werkt hier van 1956 tot 1966 aan. In 1963 krijgt Krop een solotentoonstelling in het Stedelijk museum waar ook veel van zijn vrije werk te zien is.
Het laatste werk van Krop is ook in Amsterdam te vinden: een gevelsteen voor de nieuwe universiteitsbibliotheek (B130). Hoewel het gebouw veel kritiek krijgt, kan het Krop wel bekoren: hij vind het gebouw veel beter dan de ‘tegelwinkel op het Frederiksplein’ (De Nederlandse Bank).
Hildo Krop sterft op 20 augustus 1970 aan een hartaanval, in zijn atelier aan de Plantage Muidergracht.

Hieronder vind je een kaart met alle nog bestaande werken van Hildo Krop in de Amsterdamse openbare ruimte. De kaart is gebaseerd op de Oeuvre-Catalogus zoals die te vinden is in de monografie van Krop, geschreven door E.J. Lagerweij-Polak

Hildo Krop – Amsterdam

Bronnen:

Hildo Krop: Beeldhouwer – E.J. Lagerweij-Polak

Het Amsterdams beeldenboek: vier eeuwen buitenbeelden (1600-heden) – Miriam Beerman

Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging

Links:

Het Instituut Collectie Krop

Hildo Krop bruggenroute

Typisch Amsterdam

Tags: ,

Rasphuis poort

Geplaatst in 1603, Centrum op september 5th, 2010 door Tom

Aan de Heiligeweg leidt een poortje naar een winkelcentrum dat daar in 1995 is opgetrokken achter de oude gevels.

Bovenzijde met stedenmaagd

De poort uit 1603, ontworpen door stadssteenhouwer Hendrick de Keyser, is een van de oudste poortjes van de stad. Het is het enig overgebleven spoor van een aantal historische Amsterdamse gebouwen op deze plek.
Het reliëf toont een wagenmenner op een wagen met rasphout (een grondstof voor de lakenindustrie). Voor de wagen zijn leeuwen, een beer, een everzwijn en een wolf ingespannen. De afbeelding verwijst naar de tuchtmeester die de gevangen temt. Daarboven een spreuk van Seneca die betekent ‘het is dapperheid eigen, te temmen hetgeen elk vreest’. De beelden boven de poort zijn waarschijnlijk wel ontworpen door Hendrick de Keyser, maar zijn pas later toegevoegd. In het midden zit de Amsterdamse stedenmaagd geflankeerd door twee geketende mannen. Het onderschrift Castigatio betekend tucht.

De poort is de voorpoort van het mannentuchthuis, dat in 1589 wordt opgericht door het stadsbestuur. Het tuchthuis wordt in de volksmond het Rasphuis genoemd; het krijgt die naam doordat gevangenen verfhout raspen tot poeder, dat wordt gebruikt door de lakenindustrie. Het stadsbestuur verleent het tuchthuis het monopolie op de grondstof, en zo wordt het raspen een winstgevende activiteit.

Het tuchthuis is ondergebracht in het leegstaande Oude Clarissenklooster. Dit klooster komt voort uit een erfenis van Jan de Wael. Door machtsconflicten tussen de stad en de landsheer Maximiliaan van Oostenrijk vindt de feitelijke stichting van het klooster pas in 1513 plaats, 19 jaar na het overlijden van De Wael. Na de stichting van een tweede klooster krijgt de orde de naam Oude Clarissen. Als gevolg van de De Alteratie komt het klooster na 1578 leeg te staan.

Het monopolie op het raspen verdwijnt onder het Franse bewind, en in 1825 komt er een eind aan de instelling. Het gebouw wordt een gevangenis: het Huis van Arrest en Justitie. Uiteindelijk wordt het complex in 1892 afgebroken. Alleen de poort blijft staan; erachter wordt het Heiligewegbad gebouwd, dat tot 1987 dienst doet.

Rasphuis poort

Bronnen:

Het Amsterdams beeldenboek: vier eeuwen buitenbeelden (1600-heden)
Geschiedenis van Amsterdam: . Een stad uit het niets, tot 1578 – Marijke Carasso-Kok (red)
Met straffe hand….
tucht en discipline in het Amsterdamse Rasphuis

Tags: ,

Standbeeld Domela Nieuwenhuis

Geplaatst in 1931, West op augustus 29th, 2010 door Tom

Op het Nassauplein staat een standbeeld dat mij altijd te binnenschiet als ik weer ergens een beeld van Stalin of Lenin omver gehaald zie worden. Het drukt het zelfde, van regeringswege opgelegde, voortgangsideaal uit. Domela Nieuwenhuis zelf zou gegruwd hebben van het van staatswege opgelegde zaken.

Domela Nieuwenhuis

Ferdinand Domela Nieuwenhuis was een anarchist (vrije socialist) die in augustus 1931 werd geëerd met een standbeeld van Johan Polet.
Het eerste ontwerp van Polet bestond uit een beeld van Prometheus, een griekse held die het vuur van de goden stal. Als straf werd hij aan een rots gebonden waar een gier hem iedere avond de lever uit pikte.
Het vuur stond wellicht symbool voor de waarheid die Domela Nieuwenhuis aan de gewone man heeft geschonken of anders het vuur van zijn overtuiging. De ketenen voor het jaar dat hij in de gevangenis heeft doorgebracht wegens majesteitsschennis.
Dit ontwerp vond geen instemming bij de Nederlandse Socialistische Federatie van Overheidspersoneel, de initiatief nemers van het standbeeld. Men wenste iets sprekenders (sic!)
Pas bij het derde ontwerp, toen Prometheus naar de sokkel was verdreven, ging men akkoord.

En daar staat hij dan. Bij de entree van het het (voormalig) linkse bolwerk, de spaarndammerbuurt. Hoog (3 meter) en in brons, terwijl het volk, in auto, tram, trein, per fiets of te voet aan hem voorbij snelt. Nog altijd voorwaarts, nog altijd onverzettelijk; de vuist geheven in protest én overwinning. Gedreven door het idealistisch vuur.

Kaart

Bron:

Het Amsterdams beeldenboek: vier eeuwen buitenbeelden (1600-heden)
Tags: