Een korte geschiedenis van de binnenstad

Geplaatst in 20e eeuw, Centrum op april 9th, 2011 door Tom

Na de Tweede wereldoorlog was het oostelijk deel van de oude binnenstad grotendeels verlaten, hier hadden de joden gewoond. De meesten kwamen niet terug, en bovendien waren hun huizen gestript bij de zoektocht naar brandstof tijdens de hongerwinter. De wederopbouw gaf bewoners van de binnenstad een auto, een wasmachine en vrije tijd maar geen parkeerplaats, tuin of doorzonwoning. De oplossing werd gevonden in de slaapstad; Purmerend groeide met een factor honderd, Almere werd in 1976 opgericht.

De binnenstad liep verder leeg, dat werd bestreden met het ontsluiten van die stad. Hiervoor moest weliswaar het oostelijk deel worden opgeofferd, maar het luxer westelijke deel kon worden gered. Er werd begonnen met de aanleg van een vierbaans straat terwijl de eerste metro de buitenwijken in groef. Beide botsten op de Nieuwmarkt.

Daar waren twee geheel verschillende groepen neergestreken. Aangetrokken door de stank van rotte funderingen. Enerzijds de speculanten op stijgende grondprijzen, anderzijds links radicalen met een anarchistisch ideaal, gratis wonen!
Krakers, achtergebleven bewoners en liefhebbers van historisch erfgoed sloegen de handen ineen. Zij boden verzet tegen de sloop en beschuldigden de gemeente van samenzweren met de vastgoed jongens.
Die gemeente, bestaande uit de vorige generatie links radicalen, was bezig met de uitvoering van het socialistisch ideaal: iedereen een auto en een huis met een tuintje. Helaas, dat ideaal had Jan met de Pet reeds in Almere en Purmerend gevonden.
Omdat hippies geen pr-adviseurs inhuren – ja maar, wij zijn ook tegen het groot-kapitaal, echt! – verloor de gemeente de strijd.

De autoweg werd afgebogen, en meer metro’s kwamen er (voorlopig) niet. De krakers gingen huren, en dertig jaar later worden zij op hun beurt beschuldigd. Zij duwen de rest van Nederland (lees Almere en Purmerend) hun linkse ideeën door de strot. Een weerwoord – ja maar, wij zijn tégen dwang, echt! – is er ook nu niet.

De Woningwet

Geplaatst in 1901 op maart 4th, 2011 door Tom

110 jaar invloed op de woningbouw

De woningwet heeft aan de basis gestaan van veel zaken die wij nu als vanzelfsprekend ervaren: Ruimtelijke ordening, gescheiden slaapkamers, aparte woon- en slaapvertrekken, allen zijn beïnvloed door deze wet. Bij de uitbreidingen van de laatste eeuw is de wet als geen ander gezichtsbepalend geweest voor zowel de vorm van de straat als die van de woningen.

Geschiedenis van de bouwverordening

Vanaf de middeleeuwen zijn er in Amsterdam keuren die huizenbouw regelen. In 1531 is er een bouwverordening met daarin zaken als muurdikte, rooilijn, materiaalgebruik, boetes en de keuring voor- en achteraf. De buitenkant van de huizen wordt zo al vroeg gereguleerd, maar de binnenkant blijft achter. Ook zaken als het aantal inwoners, onderhoud, inrichting en bijgebouwen vallen buiten de gemeentelijke zorg.
Er gebeurd er wat er altijd in de stad gebeurd; men zorgt ervoor dat er geen ongelukken gebeuren, geen misdrijven worden gepleegd en geen overlast wordt veroorzaakt. Een  bouwverordening uit 1565 blijft met wat aanpassingen, tot 1905 in gebruik. Alleen inzake fundering en vestiging van bedrijfjes worden er aanvullende keuren opgesteld.
Zo blijft Amsterdam 350 jaar lang met min of meer de zelfde regels bouwen.

Beeldbank Stadsarchief

De holen der mensen…

Door verschillende elkaar versterkende factoren wordt de woonsituatie in de loop van de 19de eeuw onhoudbaar.
- Veel huizen in de stad zijn verkrot, het resultaat van ruim een eeuw economische recessie;
- Als gevolg van industrialisering en het aantrekken van de handel, kent de stad een forse bevolkingsgroei, met als gevolg woningnood;
- De stad is voor het laatst in de 17e eeuw uitgebreid, met een snel groeiende bevolking  stijgen ook de grondprijzen. Nieuwbouw is alleen mogelijk voor de beter gesitueerden.

Het aantal kelderwoningen neemt toe, gezinnen wonen in één kamer met een bedstede of alkoof als slaapruimte.
In 1855 verschijnt een rijksrapport waarin staat: “De holen der mensen – en anders mogen wij de woningen van velen uit de min gegoede stand niet noemen – staan niet zelden ten achter bij de plaatsen, die ten verblijve voor vele dieren zijn afgezonderd”
In 1873 verschijnt een gemeentelijk rapport over de woonomstandigheden: de stad telt 4935 kelderwoningen waarvan er 3650 onbewoonbaar zijn. Ruim 1000 kelderwoningen zijn lager dan 1,60m.
Er worden verschillende initiatieven ontplooid om de woonomstandigheden te verbeteren: Al In 1851 is de eerste woningbouwvereniging opgericht. Het gemeentebestuur maakt plannen voor uitbreiding maar die lopen vast op de onteigening. Voor iedere onteigening moet de tweede kamer toestemming geven, die is in meerderheid liberaal en tegen overheidsinmenging. Bovendien stijgen de grondprijzen in de aangewezen gebieden na het bekend worden van de plannen.

Desondanks worden tussen 1870 en 1900 in de Pijp, Kinkerbuurt en Dapperbuurt 24.000 voor- en achter woningen gebouwd. Om te voldoen aan de vraag en als compensatie voor de gestegen grondprijzen zijn de woningen zo goedkoop mogelijk gebouwd. In de meeste woningen ontbreekt een aparte keuken en de slaapruimte is een alkoof tussen de voor- en achter woning. Zie bouwtekening hieronder. Deze toont een pand aan de Ferdinand Bolstraat met twee woningen per verdieping, met een alkoof tegen de tussenmuur. Zelfs woningbouwverenigingen zien zich gedwongen om kleine woningen, rug aan rug te bouwen anders wordt de huur te hoog. Desondanks worden de meeste woningen verhuurd aan de snel groeiende middenklasse en blijven de krotwoningen bewoond.

De Wet

Ondanks tegenstand vanuit de tweede kamer wordt in 1901 de woningwet aangenomen. De wet bied voornamelijk een kader voor gemeenten en is daardoor later gemakkelijk aan te passen. 100 jaar later zijn grote delen van de wet zijn nog steeds in gebruik. Sommige onderdelen, zoals ruimtelijke ordening, hebben tot een heel nieuw stelsel van wetten geleid.
De inhoud in grote lijnen:

  1. Gemeenten worden verplicht een bouwverordening opstellen met daarin regels voor kwaliteit van nieuwe woningen. In de bouwverordening moeten aantal zaken worden vastgelegd waaronder: rooilijnen, hoogte van huizen, afmetingen van vertrekken, trappenhuizen, privaten, drinkwatervoorziening en de toevoer van licht en lucht;
  2. Er worden verplichtingen aan verhuurders gesteld omtrent het aantal bewoners;
  3. Procedures rondom onbewoonbaarverklaring, ontruiming en afbraak van bestaande woningen;
  4. Maatregelen rondom het vereenvoudigen van onteigeningen ten behoeve van volkshuisvesting;
  5. Gemeenten kunnen overheidsgeld aan niet commerciële woningbouwverenigingen geven voor volkshuisvesting;
  6. Recht van gemeente op leningen (in vijftig jaar terug te betalen) voor bemiddeling in de volkshuisvesting.

Gelijk met de Woningwet komt er ook een Gezondheidswet – deze voorziet in preventieve controle op woningontwerpen.
In 1905 komt Amsterdam als eerste stad met een bouwverordening. Door de verplichting om in alle kamers een verbinding met de buitenlucht te maken verdwijnen alkoof en bedstee uit de stad.

In 1908/1909 worden de eerste woningwetwoningen gebouwd in de Van Beuningenstraat.
Tot de eerste wereldoorlog wordt er weinig gebruikgemaakt van de mogelijkheid tot lenen, ook omdat er veel private bouwondernemingen actief zijn. Tijdens de eerste wereldoorlog verdriedubbelen de grondstofprijzen en komt de private bouw stil te liggen. Na de oorlog is de woningnood tot ongekende hoogte gestegen. De eisen tot kostendekkend bouwen worden opgeschort en woningbouwverenigingen nemen het initiatief ook de gemeente leent 15.000.000,- voor bouw door het eigen woningbedrijf.
In 1920 komt de Woningnoodwet tot stand die particuliere bouw subsidieert. Door de enorme toeloop wordt de wet in 1923 alweer afgeschaft. Premies gelden niet voor winkels waardoor grote blokken met alleen woningen worden gebouwd (Hoofdweg, Vrijheidslaan en Insulindeweg). De Woningnoodwet leidt ook tot bouw van eengezinswoningen, eerst noodwoningen geheten, in Noord en Oost.
Binnen de gemeente worden de dienst Publieke Werken, Bouw en Woningtoezicht en het Woningbedrijf steeds belangrijker. De mogelijkheden die de gezondheidswet biedt worden ten volle benut, naast bouw- en woningtoezicht komt er ook een schoonheidscommissie die toeziet op architectonische kwaliteit.
De gemeentelijke bouwverordening evolueert en al snel worden naast kwaliteitseisen ook de breedte van de straten, het maken van een uitbreidingsplan en onteigening meegenomen. De gemeente denkt na over stedenbouw, een geheel nieuw concept. Architecten worden ingezet om woningen te ontwerpen en in samenspraak met ambtenaren de nieuwe wijken vorm te geven.

Beeldbank Stadsarchief

Architectuur

De invloed van de wet op de architectuur is indirect, de wet richt zich immers op het verbeteren van de kwaliteit. Toch gaan architecten zich ook bezighouden met huizenbouw, gestimuleerd door woningbouwverenigingen, de gemeente en het socialistisch gedachtegoed.
De architecten Van der Pek, Berlage, Kromhout en Bazel hebben in de 19de eeuw het fundament gelegd voor het ontwerp van een goede woning, volgens socialistische idealen. Zij formuleren een pakket van eisen:

  • Geen woonvertrekken zonder directe verbinding met de buitenlucht;
  • Scheiding van het woonvertrek en de keuken (was!);
  • Voor- en achterzijde van de woning aan de buitenlucht, geen voor- en achterwoningen;
  • Iedere woning is eigen eenheid, met eigen ingang en alle kamers achter de voordeur (dus geen vertrekken op de gezamelijke gang);
  • Iedere woning heeft een eigen privaat (wc);
  • Scheiding van de woon- en slaapvertrekken.

Deze eisen vinden we terug in de bouwverordeningen van de gemeente, vervolgens architecten  weer betrekt bij stedebouw.
Hierdoor komt een volgende generatie architecten op die de stedebouwkundige plannen vult met expressionistische vormen om te komen tot verheffing van de arbeider. Hun architectuur staat bekend als de Amsterdamse school.

Bronnen:

De woningwet, 1902-1929: gedenkboek …
Handleiding voor Woningbouw Vereeningingen
6,5 miljoen woningen: 100 jaar en woningwet en wooncultuur in Nederland

Afbeeldingen:

Beeldbank Stadsarchief Amsterdam

Tags:

Figure Découpée

Geplaatst in 1965, Zuid op november 19th, 2010 door Tom

Picasso in het Vondelpark

Figure Découpée van Pablo Picasso is niet gemaakt door Picasso en heet eigenlijk geen Figure Découpée.

Figure Découpée - Pablo Picasso

In de volksmond heet het beeld ‘de vis’ maar als je wat beter kijkt (let op de poten) blijkt het om een vogel te gaan. L’ Oiseau (de vogel) is de naam van het beeld in de catalogi.
Het beeld is in 1965 gemaakt door Carl Nesjar, een Noorse kunstenaar, op basis van een blikken beeldje van Picasso. Nesjar voerde het beeld uit in beton, en de lijnen zijn er in gegraveerd. Picasso was erg enthousiast over het beeld, maar heeft het voor zover bekend nooit in werkelijkheid gezien.
Het beeld werd in 1965 tentoongesteld in het Vondelpark als onderdeel van het 100-jarig jubileum van het park. Picasso schonk het beeld aan Amsterdam, een vriendendienst aan Willem Sandberg, directeur van het Stedelijk museum. Voorwaarde was wel dat het beeld blijvend tentoongesteld zou worden.

Daarna blijft het een aantal jaren rustig rondom het beeld, totdat Stadsdeel Zuid het Vondelpark moet renoveren. Het benodigde budget is te groot voor het stadsdeel, dus men stapt naar de Centrale Stad. Daar is het antwoord: “Jullie willen zo graag deelraad zijn, dan zoek je het zelf maar uit”.

Goed dan, denkt stadsdeelbestuurder Herman Wals, we gaan wat herrie schoppen. Hij bedenkt een plan om het beeld van Picasso te verkopen. Zijn opvolgster Rita Weeda mist helaas de ironie van dit voorstel en gaat er in 1994 serieus mee aan de slag. Dit levert vervolgens een mooi partijtje over en weer schreeuwen op tussen Weeda en wethouder Ernst Bakker van Cultuur.
Weeda maakt daarbij de faux pas om het beeld diefstalgevoelig te noemen en stelt voor het door een replica te laten vervangen. Bakker roept dat dit niet kan, alleen al wegens auteursrechtelijke redenen.

Maar het was toch al een replica?

Standbeelden

Bronnen:

Het Amsterdams beeldenboek: vier eeuwen buitenbeelden (1600-heden)
Buitenbeeld in beeld

Tags:

Hildo Krop

Geplaatst in 1884, 1970, Centrum, Noord, Oost, West, Zuid op september 12th, 2010 door Tom

Stadsbeeldhouwer

Iedereen die enige tijd in de Amsterdamse openbare ruimte verblijft, wordt geconfronteerd met het werk van Hildo Krop. Hij neemt een grote plaats in binnen de zichtbare geschiedenis van Amsterdam, vooral wat betreft het tijdvak 1920-1940.

Uit alle aspecten van het werk van Krop blijkt zijn intellect en betrokkenheid, een hekel aan luiheid, gemakzucht en enig spoor van dikdoenerij, maar boven alles spreekt er energie en een groot optimisme uit.

Naast het ontwerpen van beeldhouwwerken heeft Krop zich ook op andere terreinen begeven: hij maakt illustraties, aardewerk, meubels, houtsneden, (toneel)maskers, medailles en keramiek.
Krops beelden tonen een grote verscheidenheid: in tijd, plaats, onderwerp, materiaal en techniek. Natuur, mens en fabel worden gebruikt voor symboliek en allegorieën en ook de mens zelf komt in allerlei gedaanten terug, waarbij ‘de arbeider’ en Gijsbrecht van Amstel favoriet zijn.

B51 Robbekop uitlopend in golven

Jeugd en Opleiding

Hildo Krop wordt geboren in 1884 te Steenwijk als zoon van een bakker. Zijn opleiding tot bakker brengt Krop naar Leiden, Amsterdam, Groningen, Brussel, Parijs, Zandvoort, Milaan en Eltham (Engeland). In die plaats komt hij in contact met oude adel die hem ziet tekenen en hem aanraadt daarmee verder te gaan. In 1907 vertrekt Krop naar Parijs om schilder te worden. Naast tekeningen en schilderijen maakt hij daar plastieken. Terug in Nederland gaat Krop naar de Rijksacademie te Amsterdam waar hij in 1911 afstudeert.
Uit brieven uit die tijd blijkt reeds zijn liefde voor het socialisme: “Mijn leven is al veel rijker [...] ‘k heb m’n werk en ‘t socialisme”. Dankzij een zilveren medaille bij de Prix de Rome kan Krop een jaar naar het buitenland. Hij gaat naar Berlijn, Rome en Parijs.

Eind 1912 is hij weer terug in Amsterdam. Daar krijgt hij zijn eerste opdrachten, onder andere voor beelden op het Scheepvaarthuis. Het gebouw wordt zeer goed ontvangen en mede als gevolg hiervan komt Krop in dienst van de gemeente Amsterdam.
Krop trouwt in 1914 met Willemina Frederika Sleef.
In 1916 wordt bij gemeentelijk besluit de ‘directeur der publieke werken’ bevoegd ‘zo vaak hij nodig acht’ opdrachten te verstrekken aan Krop. Volgens het besluit wordt Krop geacht een ontwerp in klei, een gipsafgietsel en het beeldhouwwerk zelf aan te leveren. Hij krijgt daarbij een vast honorarium per halve dag. Krop is vanaf dat moment feitelijk de stadsbeeldhouwer.

Aanstelling gemeente Amsterdam

Directeur van de dienst Publieke Werken (PW) is ir. A.J. Hulshoff. Hulshoff heeft in de jaren twintig en dertig grote invloed gehad op de Amsterdamse architectuur, als opdrachtgever, architect en mentor. Hulshoff is ook verantwoordelijk voor de voordracht van Krop bij B&W.
Onder leiding van ir A.W. Bos is de dienst PW verantwoordelijk voor fraaie wijken in Zuid, de Spaarndammerbuurt en Noord.
Door het idee van gemeenschapskunst ontstaat bij de bouw van deze wijken een eenheid tussen de verschillende aspecten van gebouwen. De beeldhouwkunst is hierbij een integraal onderdeel van het gebouw, zonder het beeldhouwwerk ondergeschikt te maken. Krop is bij uitstek in staat om dit evenwicht te bereiken.
Voor de gemeente Amsterdam werkt Krop samen met de architecten Piet Kramer, M. de Klerk, P.L. Marnette, N. Lansdorp en C.J. Blaauw.
Piet Kramer – ook in dienst van de gemeente en een vriend van Krop – ontwerpt een groot aantal bruggen, vaak met sculpturen van Krop (zie kaart).
Kramer zal later het laatste gebouw in de stijl van de Amsterdamse School ontwerpen: de Bijenkorf in Den Haag. Ook hiervoor maakt Krop de beeldhouwwerken.

Naast zijn ontwerpen voor de gemeente Amsterdam krijgt Krop ook een aantal opdrachten van anderen, ook buiten Nederland. Omdat Krop ook vader en echtgenoot is, geeft hij echter de voorkeur aan de gemeente Amsterdam als opdrachtgever. Artistiek gezien komt hij daar niets te kort en op zijn hoogtepunt, tussen 1921 en 1930, maakt hij een groot aantal ontwerpen voor karakteristieke gebouwen in de stad (zie kaart nrs. B26-B85). Deze worden goed ontvangen; in een artikel wordt zijn ontwerp voor brugpeilers (B26) een ‘gedicht in steen’ genoemd. Krops werk in deze periode is stoer en zakelijk met een sterke dynamiek, maar kent tegelijk subtiliteit en aandacht voor detail.

B13 Voormalige HBS

Erkenning en kritiek

Met een tentoonstelling in Parijs (1925) en zijn eerste monografie (1928) krijgt Krop erkenning, maar ook onvermijdelijk kritiek. Het tijdschrift De Stijl schrijft afkeurend over het Parijse werk, en ook Krops monopolie positie bij de gemeente Amsterdam komt ter discussie te staan.
Publieke Werken is echter zeer te spreken over Krop, die een goede organisator is en net als de gemeente socialistisch. Wellicht speelt Krops bereidheid om voor een laag honorarium te werken een rol in de waardering van de dienst

Na 1930 komt de Nieuwe Zakelijkheid als stroming naar voren in de architectuur. Binnen de architectuur vormen beelden meer een autonoom element, dat echter wel zijn relatie tot het gebouw en de omgeving behoudt, Krops beelden worden in dit decennium strakker en helderder.zie het politiebureau aan de Marnixstraat (B103).
De gemeente Amsterdam begint ook andere kunstenaars opdrachten te verstrekken en Krop gaat meer voor andere opdrachtgevers werken. Door de crisis en de veranderde opvattingen over bouwkunst neemt gedurende de jaren ‘30 het aantal opdrachten af.

Krop wordt in 1941 om politieke redenen van zijn functies ontheven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakt Krop verder alleen werk in privé opdracht en vrije werken. Ondanks zijn openlijk socialistische sympathiën wordt Krop pas in 1944 opgepakt en dan na ondervraging weer vrijgelaten.
Reeds op 2 juli 1945 roept de directeur van Publieke Werken B&W van Amsterdam op om Krop eerherstel te geven en hem op zijn oude positie terug te laten keren. B&W weigeren, bang voor kritiek op Krops vermeende monopolie positie. Dat deze kritiek ongegrond is blijkt wel uit Krops inspanningen als voorzitter van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers (NKB), waar hij zich een pleitbezorger voor jonge kunstenaars toont.

Latere jaren

Vanaf 1946 is Krop weer in dienst van de gemeente Amsterdam, maar niet meer in de voorhoede. Kenmerkend is de officiële herdenking van de februaristaking van 1941. Die vindt niet plaats op de Oosterbegraafplaats van Krop (Mo28) maar bij de Dokwerker van Mari Andriessen.
Toch bijft Krop bezig, met vrij werk en opdrachten voor zowel de gemeente als anderen. Door de nieuwe architectuur worden dit steeds meer monumenten of los staande beelden.
In 1956 krijgt Krop (dan 72 jaar) de eervolle titel stadsbeeldhouwer; de eerste met die titel sinds Hendrick de Keyser in de 17e eeuw. Hij wordt ook benoemd tot adviseur voor de beeldhouwkunst binnen PW. Daarnaast kan Krop als NKB voorzitter zijn invloed doen gelden tijdens de percentage regeling, die in 1951 officieel wordt ingevoerd. Binnen deze regeling wordt bij de bouw 1%-1,5% van het totale budget bestemd voor kunstwerken bij het gebouw. Dit resulteert in een grote stimulans voor beeldende kunst.

Krops laatste grote opdracht is een beeld van Berlage (Mo48). Dit volledig in natuursteen uitgehakte beeld vraagt nogal wat van Krops uithoudingsvermogen en (afnemende) kracht, hij werkt hier van 1956 tot 1966 aan. In 1963 krijgt Krop een solotentoonstelling in het Stedelijk museum waar ook veel van zijn vrije werk te zien is.
Het laatste werk van Krop is ook in Amsterdam te vinden: een gevelsteen voor de nieuwe universiteitsbibliotheek (B130). Hoewel het gebouw veel kritiek krijgt, kan het Krop wel bekoren: hij vind het gebouw veel beter dan de ‘tegelwinkel op het Frederiksplein’ (De Nederlandse Bank).
Hildo Krop sterft op 20 augustus 1970 aan een hartaanval, in zijn atelier aan de Plantage Muidergracht.

Hieronder vind je een kaart met alle nog bestaande werken van Hildo Krop in de Amsterdamse openbare ruimte. De kaart is gebaseerd op de Oeuvre-Catalogus zoals die te vinden is in de monografie van Krop, geschreven door E.J. Lagerweij-Polak

Hildo Krop – Amsterdam

Bronnen:

Hildo Krop: Beeldhouwer – E.J. Lagerweij-Polak

Het Amsterdams beeldenboek: vier eeuwen buitenbeelden (1600-heden) – Miriam Beerman

Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging

Links:

Het Instituut Collectie Krop

Hildo Krop bruggenroute

Typisch Amsterdam

Tags: ,

Standbeeld Domela Nieuwenhuis

Geplaatst in 1931, West op augustus 29th, 2010 door Tom

Op het Nassauplein staat een standbeeld dat mij altijd te binnenschiet als ik weer ergens een beeld van Stalin of Lenin omver gehaald zie worden. Het drukt het zelfde, van regeringswege opgelegde, voortgangsideaal uit. Domela Nieuwenhuis zelf zou gegruwd hebben van het van staatswege opgelegde zaken.

Domela Nieuwenhuis

Ferdinand Domela Nieuwenhuis was een anarchist (vrije socialist) die in augustus 1931 werd geëerd met een standbeeld van Johan Polet.
Het eerste ontwerp van Polet bestond uit een beeld van Prometheus, een griekse held die het vuur van de goden stal. Als straf werd hij aan een rots gebonden waar een gier hem iedere avond de lever uit pikte.
Het vuur stond wellicht symbool voor de waarheid die Domela Nieuwenhuis aan de gewone man heeft geschonken of anders het vuur van zijn overtuiging. De ketenen voor het jaar dat hij in de gevangenis heeft doorgebracht wegens majesteitsschennis.
Dit ontwerp vond geen instemming bij de Nederlandse Socialistische Federatie van Overheidspersoneel, de initiatief nemers van het standbeeld. Men wenste iets sprekenders (sic!)
Pas bij het derde ontwerp, toen Prometheus naar de sokkel was verdreven, ging men akkoord.

En daar staat hij dan. Bij de entree van het het (voormalig) linkse bolwerk, de spaarndammerbuurt. Hoog (3 meter) en in brons, terwijl het volk, in auto, tram, trein, per fiets of te voet aan hem voorbij snelt. Nog altijd voorwaarts, nog altijd onverzettelijk; de vuist geheven in protest én overwinning. Gedreven door het idealistisch vuur.

Kaart

Bron:

Het Amsterdams beeldenboek: vier eeuwen buitenbeelden (1600-heden)
Tags: