Hofje van Brienen

Geplaatst in 1806, Centrum op december 3rd, 2010 door Tom

Of: de geschiedenis van Van Brienens gesticht ‘De Star’

Het verhaal gaat dat Arnold Jan van Brienen bezig was in een kluis in zijn kelder toen de zware kluisdeur dichtviel. Zijn (schijnbaar erg luide) gebed tot verlossing werd enige uren later verhoord, en zijn huisgenoten wisten hem te bevrijden. Uit dankbaarheid besloot hij een hofje te bouwen. Als een van de weinige hofjes in de stad is Van Brienens gesticht de Star gesticht bij het leven van de stichters Arnoud Jan van Brienen (1735-1804) en Sophia Maria (van) Half-Wassenaer (1727-1802).

Versiering boven de hoofdingang

Het hofje is gebouwd op het terrein van Brouwerij de Star en heet officieel dan ook ‘Van Brienens hofje De Star’. De brouwerij is in 1692 gestart op drie percelen aan de Prinsengracht plus de achterliggende percelen. Later koopt de brouwerij ook nog de percelen aan beide zijden. In 1795 koopt Van Brienen deze grond op een veiling en twee jaar later geeft hij opdracht aan Abraham van der Hart om een hofje te ontwerpen. Zij kennen elkaar omdat Van der Hart in 1784 een gebouw heeft ontworpen voor het R.C. Maagdenhuis, waar Van Brienen regent is.

Door slechte economische omstandigheden na de stichting van stichting van de Bataafse republiek (1795) wordt start van de bouw uitgesteld tot 1803. De eerste bewoners komen in 1806, Rooms katholieke minvermogenden die anders tot armoede zouden vervallen. Het hofje is bedoeld voor mannen, maar vanaf het begin zijn ook echtparen en alleenstaande vrouwen welkom. Omdat mannen niet in staat worden geacht een huishouden te voeren worden weduwnaars zelfs van het hofje verwijderd, met als gevolg dat er soms alleen vrouwen op het hofje wonen.

Van de buitenzijde oogt het hofje streng met een hoge blinde muur, en alleen rond de hoofdingang enige versiering. Bij de bouw is ook de binnenplaats streng verdeeld in vier bleekvelden maar vanaf de jaren dertig van de 20ste eeuw komen er tuin elementen die leiden tot het huidige, vriendelijke karakter. De Regentenkamer, de kapel en de portierswoning zijn aan de voorzijde gevestigd. De zijbeuken zijn voor echtparen en alleen wonende mannen, de kleinere woninkjes aan de achterkant vormen het weduwenhof. Boven de woningen zijn tot 1886 graanzolders die worden verhuurd om de kosten van bedeling te dekken. Door teruglopende inkomsten uit verhuur van de zolders besluit men deze te verbouwen tot woningen.

Het beheer en onderhoud is in handen van de portier(ster). De portier huurt werklieden in voor reparaties en klein onderhoud en verzorgt de schoonmaak van de voorzijde, hij houdt ook toezicht op het komen en gaan van bewoners en controleert de schoonmaak van de binnenplaats en de woningen. De portier is ook verantwoordelijk voor het openen en sluiten van de poorten en mag de sleutel onder geen beding afgeven.

Eerst worden de kosten voor onderhoud en bedeling betaald door de Van Brienens. Vanaf 1839 wordt het hofje ondergebracht in een stichting door Arnold Willem van Brienen kleinzoon van de stichters. Er komt een College van drie Regenten en de afstand tussen hofje en regenten neemt steeds meer toe. Zo wordt de portier belast met het op de hoogte stellen van het overlijden van een bewoner, zodat de regenten een nieuwe kunnen kiezen. De administrateur is de feitelijke bestuurder die opereert namens de regenten. Hoe groot het vertrouwen is blijkt uit het feit dat vader, zoon en kleinzoon Westerwoudt samen 85 jaar lang deze functie vervullen. In 1954 wordt de administrateur zelfs gemachtigt nieuwe regenten te benoemen. Verschillende leden van de familie Van Brienen zorgen in eerste instantie voor een gezonde financiële situatie. Omdat het vermogen in staatsobligaties is belegd komen de verschillende geldontwaardingen in de eerste helft van de 20e eeuw hard aan. De bedeling wordt na 1940 zeer moeilijk en in 1948 zelfs geheel gestopt. Vanaf 1951 wordt aan bewoners een bijdrage in het onderhoud gevraagd. Aanvankelijk 2,50 per maand, loopt dit in 1976 op tot 65,- per maand en in 1986 220,- per maand. Dan wordt het ook formeel huur en kan huursubsidie worden aangevraagd.

1816 -

Beeldbank Stadsarchief - Gerrit Lambrets

De moderne tijd gaat niet voorbij aan het hofje, hoewel sommige dingen ook hardnekkig het zelfde blijven. Reeds in 1890 wordt er een duinwaterleiding aangelegd .Ondertussen wonen er geen echtparen meer op het hof, met het samenvoegen twee kamertjes worden een paar woningen uitgebreid.In 1961 worden de zeer kleine huisjes verbouwd maar niet vergroot, de bedsteden worden verwijderd en bewoners krijgen een inpandig toilet. In 1972 wordt er opnieuw verbouwd, de woningen worden vergroot en gaan van 40 naar 21.
De grote veranderingen komen echter van de bewoners zelf: in 1956 komt er een breed gesteund verzoek tot verruiming van de openingstijden. Hoewel ook de portier klaagt dat hij ‘s avonds laat het bed uit moet om de poort te openen, krijgen bewoners pas in 1976 een eigen sleutel. In 1991 ontstaat onder leiding van de portierster een bewonerscommissie, die contacten gaat onderhouden met de regenten.

Bestuurlijk ontstaat van 1984 een samenwerking met het R.C. Maagdenhuis. De financiële situatie is dan nijpend terwijl er een aantal structurele bouwkundige problemen zijn. De voorgaande renovaties zijn wegens geldgebrek niet ingrijpend genoeg geweest, er zijn problemen met vocht in de souterrains, tocht in de woningen en een gammele gang op zolder. De dunne muren zijn gehorig en het sanitair is sterk verouderd. De enige oplossing is een ingrijpende renovatie. Die wordt geschat op 5 miljoen, men krijgt uit monumentenzorg 2 miljoen maar verder is het geld op. De oplossing komt in de vorm van van woningbouwvereniging Het Oosten. Die krijgt het hofje in 1995 in eigendom en start in dat zelfde jaar met een verbouwing die 14 maanden duurt.
Geen van de oude bewoners keert na renovatie terug zodat kan worden gesproken van een nieuwe start in 1997.

Het hofje wordt nu bewoond door dames en heren ouder dan 50 en is iedere werkdag geopend van 6.00 tot 18.00 en op zaterdag van 06.00 tot 14.00
Zoals altijd bij bezoek: respecteer de rust op het hof en de privacy van bewoners.

Bron:

Hofje van Brienen, twee eeuwen Amsterdams hofjesleven

Tags:

Hildo Krop

Geplaatst in 1884, 1970, Centrum, Noord, Oost, West, Zuid op september 12th, 2010 door Tom

Stadsbeeldhouwer

Iedereen die enige tijd in de Amsterdamse openbare ruimte verblijft, wordt geconfronteerd met het werk van Hildo Krop. Hij neemt een grote plaats in binnen de zichtbare geschiedenis van Amsterdam, vooral wat betreft het tijdvak 1920-1940.

Uit alle aspecten van het werk van Krop blijkt zijn intellect en betrokkenheid, een hekel aan luiheid, gemakzucht en enig spoor van dikdoenerij, maar boven alles spreekt er energie en een groot optimisme uit.

Naast het ontwerpen van beeldhouwwerken heeft Krop zich ook op andere terreinen begeven: hij maakt illustraties, aardewerk, meubels, houtsneden, (toneel)maskers, medailles en keramiek.
Krops beelden tonen een grote verscheidenheid: in tijd, plaats, onderwerp, materiaal en techniek. Natuur, mens en fabel worden gebruikt voor symboliek en allegorieën en ook de mens zelf komt in allerlei gedaanten terug, waarbij ‘de arbeider’ en Gijsbrecht van Amstel favoriet zijn.

B51 Robbekop uitlopend in golven

Jeugd en Opleiding

Hildo Krop wordt geboren in 1884 te Steenwijk als zoon van een bakker. Zijn opleiding tot bakker brengt Krop naar Leiden, Amsterdam, Groningen, Brussel, Parijs, Zandvoort, Milaan en Eltham (Engeland). In die plaats komt hij in contact met oude adel die hem ziet tekenen en hem aanraadt daarmee verder te gaan. In 1907 vertrekt Krop naar Parijs om schilder te worden. Naast tekeningen en schilderijen maakt hij daar plastieken. Terug in Nederland gaat Krop naar de Rijksacademie te Amsterdam waar hij in 1911 afstudeert.
Uit brieven uit die tijd blijkt reeds zijn liefde voor het socialisme: “Mijn leven is al veel rijker [...] ‘k heb m’n werk en ‘t socialisme”. Dankzij een zilveren medaille bij de Prix de Rome kan Krop een jaar naar het buitenland. Hij gaat naar Berlijn, Rome en Parijs.

Eind 1912 is hij weer terug in Amsterdam. Daar krijgt hij zijn eerste opdrachten, onder andere voor beelden op het Scheepvaarthuis. Het gebouw wordt zeer goed ontvangen en mede als gevolg hiervan komt Krop in dienst van de gemeente Amsterdam.
Krop trouwt in 1914 met Willemina Frederika Sleef.
In 1916 wordt bij gemeentelijk besluit de ‘directeur der publieke werken’ bevoegd ‘zo vaak hij nodig acht’ opdrachten te verstrekken aan Krop. Volgens het besluit wordt Krop geacht een ontwerp in klei, een gipsafgietsel en het beeldhouwwerk zelf aan te leveren. Hij krijgt daarbij een vast honorarium per halve dag. Krop is vanaf dat moment feitelijk de stadsbeeldhouwer.

Aanstelling gemeente Amsterdam

Directeur van de dienst Publieke Werken (PW) is ir. A.J. Hulshoff. Hulshoff heeft in de jaren twintig en dertig grote invloed gehad op de Amsterdamse architectuur, als opdrachtgever, architect en mentor. Hulshoff is ook verantwoordelijk voor de voordracht van Krop bij B&W.
Onder leiding van ir A.W. Bos is de dienst PW verantwoordelijk voor fraaie wijken in Zuid, de Spaarndammerbuurt en Noord.
Door het idee van gemeenschapskunst ontstaat bij de bouw van deze wijken een eenheid tussen de verschillende aspecten van gebouwen. De beeldhouwkunst is hierbij een integraal onderdeel van het gebouw, zonder het beeldhouwwerk ondergeschikt te maken. Krop is bij uitstek in staat om dit evenwicht te bereiken.
Voor de gemeente Amsterdam werkt Krop samen met de architecten Piet Kramer, M. de Klerk, P.L. Marnette, N. Lansdorp en C.J. Blaauw.
Piet Kramer – ook in dienst van de gemeente en een vriend van Krop – ontwerpt een groot aantal bruggen, vaak met sculpturen van Krop (zie kaart).
Kramer zal later het laatste gebouw in de stijl van de Amsterdamse School ontwerpen: de Bijenkorf in Den Haag. Ook hiervoor maakt Krop de beeldhouwwerken.

Naast zijn ontwerpen voor de gemeente Amsterdam krijgt Krop ook een aantal opdrachten van anderen, ook buiten Nederland. Omdat Krop ook vader en echtgenoot is, geeft hij echter de voorkeur aan de gemeente Amsterdam als opdrachtgever. Artistiek gezien komt hij daar niets te kort en op zijn hoogtepunt, tussen 1921 en 1930, maakt hij een groot aantal ontwerpen voor karakteristieke gebouwen in de stad (zie kaart nrs. B26-B85). Deze worden goed ontvangen; in een artikel wordt zijn ontwerp voor brugpeilers (B26) een ‘gedicht in steen’ genoemd. Krops werk in deze periode is stoer en zakelijk met een sterke dynamiek, maar kent tegelijk subtiliteit en aandacht voor detail.

B13 Voormalige HBS

Erkenning en kritiek

Met een tentoonstelling in Parijs (1925) en zijn eerste monografie (1928) krijgt Krop erkenning, maar ook onvermijdelijk kritiek. Het tijdschrift De Stijl schrijft afkeurend over het Parijse werk, en ook Krops monopolie positie bij de gemeente Amsterdam komt ter discussie te staan.
Publieke Werken is echter zeer te spreken over Krop, die een goede organisator is en net als de gemeente socialistisch. Wellicht speelt Krops bereidheid om voor een laag honorarium te werken een rol in de waardering van de dienst

Na 1930 komt de Nieuwe Zakelijkheid als stroming naar voren in de architectuur. Binnen de architectuur vormen beelden meer een autonoom element, dat echter wel zijn relatie tot het gebouw en de omgeving behoudt, Krops beelden worden in dit decennium strakker en helderder.zie het politiebureau aan de Marnixstraat (B103).
De gemeente Amsterdam begint ook andere kunstenaars opdrachten te verstrekken en Krop gaat meer voor andere opdrachtgevers werken. Door de crisis en de veranderde opvattingen over bouwkunst neemt gedurende de jaren ‘30 het aantal opdrachten af.

Krop wordt in 1941 om politieke redenen van zijn functies ontheven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakt Krop verder alleen werk in privé opdracht en vrije werken. Ondanks zijn openlijk socialistische sympathiën wordt Krop pas in 1944 opgepakt en dan na ondervraging weer vrijgelaten.
Reeds op 2 juli 1945 roept de directeur van Publieke Werken B&W van Amsterdam op om Krop eerherstel te geven en hem op zijn oude positie terug te laten keren. B&W weigeren, bang voor kritiek op Krops vermeende monopolie positie. Dat deze kritiek ongegrond is blijkt wel uit Krops inspanningen als voorzitter van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers (NKB), waar hij zich een pleitbezorger voor jonge kunstenaars toont.

Latere jaren

Vanaf 1946 is Krop weer in dienst van de gemeente Amsterdam, maar niet meer in de voorhoede. Kenmerkend is de officiële herdenking van de februaristaking van 1941. Die vindt niet plaats op de Oosterbegraafplaats van Krop (Mo28) maar bij de Dokwerker van Mari Andriessen.
Toch bijft Krop bezig, met vrij werk en opdrachten voor zowel de gemeente als anderen. Door de nieuwe architectuur worden dit steeds meer monumenten of los staande beelden.
In 1956 krijgt Krop (dan 72 jaar) de eervolle titel stadsbeeldhouwer; de eerste met die titel sinds Hendrick de Keyser in de 17e eeuw. Hij wordt ook benoemd tot adviseur voor de beeldhouwkunst binnen PW. Daarnaast kan Krop als NKB voorzitter zijn invloed doen gelden tijdens de percentage regeling, die in 1951 officieel wordt ingevoerd. Binnen deze regeling wordt bij de bouw 1%-1,5% van het totale budget bestemd voor kunstwerken bij het gebouw. Dit resulteert in een grote stimulans voor beeldende kunst.

Krops laatste grote opdracht is een beeld van Berlage (Mo48). Dit volledig in natuursteen uitgehakte beeld vraagt nogal wat van Krops uithoudingsvermogen en (afnemende) kracht, hij werkt hier van 1956 tot 1966 aan. In 1963 krijgt Krop een solotentoonstelling in het Stedelijk museum waar ook veel van zijn vrije werk te zien is.
Het laatste werk van Krop is ook in Amsterdam te vinden: een gevelsteen voor de nieuwe universiteitsbibliotheek (B130). Hoewel het gebouw veel kritiek krijgt, kan het Krop wel bekoren: hij vind het gebouw veel beter dan de ‘tegelwinkel op het Frederiksplein’ (De Nederlandse Bank).
Hildo Krop sterft op 20 augustus 1970 aan een hartaanval, in zijn atelier aan de Plantage Muidergracht.

Hieronder vind je een kaart met alle nog bestaande werken van Hildo Krop in de Amsterdamse openbare ruimte. De kaart is gebaseerd op de Oeuvre-Catalogus zoals die te vinden is in de monografie van Krop, geschreven door E.J. Lagerweij-Polak

Hildo Krop – Amsterdam

Bronnen:

Hildo Krop: Beeldhouwer – E.J. Lagerweij-Polak

Het Amsterdams beeldenboek: vier eeuwen buitenbeelden (1600-heden) – Miriam Beerman

Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging

Links:

Het Instituut Collectie Krop

Hildo Krop bruggenroute

Typisch Amsterdam

Tags: ,