Berlage en Cruijf

Geplaatst in Algemeen op maart 31st, 2011 door Tom

Voetbal en Architectuur: iedereen heeft er een mening over, en allemaal weten we hoe het beter moet. Berlage en Cruijf: mannen die met grote invloed op de generaties na hen.

Berlage is vooral bekend door zijn Beurs. Een gebouw in neoclassicistische stijl, evenals de Bijenkorf en het CS. De Beurs spreekt door haar simpelheid in lijnen en wanden, een tijdloos ontwerp. Naast bouwmeester was Berlage actief als stedenbouwkundige, theoreticus en leraar. Zijn invloed is zichtbaar in architectuur tot ver na de Tweede Wereldoorlog. Liefhebbers zien de overeenkomsten met Cruijf. Berlage wordt in Amsterdam reeds op velerlei wijze geëerd. Met de door hem ontworpen brug; een standbeeld; het Berlage Lyceum. Allemaal binnen Plan Zuid, zijn schepping. Er is ook nog een klein hofje in Slotermeer, een beetje achteraf. Na zijn dood zal er wel een grootse Johan Cruijflaan komen, een sportcomplex, en een tribune in de ArenA.

En als men over 100 jaar door dat wijkje fietst wie kent die naam dan nog? De Beurs blijft bekend, Plan Zuid ook. In de keuze tussen cultuur en Cultuur is het goed om stil te staan bij eeuwigheidswaarde. Een waarde die zich niet makkelijk in geld laat uitdrukken.

Beurs van Berlage - Beeldbank Stadsarchief

Beurs van Berlage - Beeldbank Stadsarchief

Bronnen: Hendrik Petrus Berlage: een bouwmeester in beeld

Foto: Beeldbank Stadsarchief

Armenzorg vanaf 1795

Geplaatst in Algemeen op februari 4th, 2011 door Tom

19e eeuw

Vanaf de Franse tijd verliest Amsterdam zijn status als onafhankelijk bestuursorgaan, toch blijven particuliere en stedelijke instellingen voor armenzorg tot ver in de 20ste eeuw het belangrijkst.
In 1810 besluit de regering tot een tiëcering van de staatsschuld. Kort gezegt wordt de te betalen rente op de staatsschuld tot een derde teruggebracht. Begrijpelijk als je de economische positie in beschouwing neemt: Na 1715 is 70% (!) van de Hollandse inkomsten nodig om de rente over de staatsschulden te betalen. Helaas worden vooral instellingen van publiek belang getroffen door de tiëcering. Weeshuizen, armenhuizen, kerken en scholen zien een belangrijk deel van hun inkomsten wegvallen. Hierdoor wordt de armoede in Amsterdam goed zichtbaar, een kwart van alle inwoners is armlastig en 1/11 is zelfs noodlijdend (honger/dakloos) vermeld een regeringsrapport uit 1816.
Het is duidelijk dat er maatregelen moeten worden genomen. Koning Willem I neemt hiertoe een initiatief: In 1820 wordt er bij wet bepaald dat wezen, vondelingen, bedelaars en anderen zonder vaste verblijfplaats in zogenaamde veenkoloniën terecht komen. Zo wil men de armen uit de steden op het platteland een nieuw leven geven en opvoeden tot arbeiders en burgers.
Door een combinatie van afgelegenheid, verplichte winkelnering en beleidsfouten mislukt dit maatschappelijk experiment echter.

Beeldbank Stadsarchief Amsterdam

Na de nieuwe grondwet van 1848 volgt in 1854 ook een armenwet, daarin wordt de armenzorg opnieuw bij de kerken en andere particuliere instanties gelegd. In 1870 wordt dit nogmaals bevestigd door te stellen dat armenzorg “niet op de weg van den Staat ligt”. De armoede neemt in de tweede helft van de 19e eeuw zodanig toe dat kerkelijke en particuliere instellingen de toegenomen last niet alleen kunnen dragen. Industrialisatie zorgt voor een trek naar de stad, daar neemt het aantal arbeiders zo toe dat lonen op het laagst mogelijke peil belanden. De combinatie van gebrek aan ontslagbescherming en lage lonen betekenen dat werkeloosheid (nog steeds) gelijk staat aan armoede. Een samenloop van teruglopende landbouwopbrengsten en een oplopende werkeloosheid in de stad leidt na 1883 tot een ongekende toename van de armoede.
Dit leidt tot een voorzichtig begin van het begrip bestaansminimum. In Amsterdam kijkt de armenbedeling na 1894 niet of een persoon al bij een andere instelling wordt bedeeld maar hoeveel men ontvangt en naar de context (aantal kinderen etc.) Op nationaal niveau veranderd er weinig; de socialisten richten zich op verbetering van de arbeidsomstandigheden, de liberalen zien niets in een overheidstaak en de confessionelen vinden dat armenzorg bij de kerk hoort.

20e eeuw

De armenwet van 1912 is leidend, en deze bevestigd de status quo. Eerst zijn ouders en grootouders verantwoordelijk, dan de kerk of andere instellingen. Hierbij gaat men voorbij aan de toegenomen arbeidsmobiliteit waarbij (groot)ouders ver weg kunnen wonen. De gemeentelijke overheid steunt de instellingen voor armenzorg en grijpt pas in als hulp op valse gronden wordt geweigerd.  Armoede is geen economisch probleem maar een sociaal verschijnsel. De zogenaamde verheffing blijft noodzakelijk en afhankelijkheid van de zorg moet worden voorkomen. De uitkering vind plaats in natura of als loon voor werk.
“Geen brood in ledigheid… want de arbeid moet hen sterken:
De Hollandsche arm wete ook voor ‘t Hollandsch brood te werken.”
In de werkverschaffing komen bovenstaande punten samen, tijdens de crisis van de jaren dertig wordt dit middel dan ook ruimschoots ingezet. In Amsterdam wordt het Amsterdamse bos aangelegd. Tegelijkertijd betekend ook dit weer een verandering, de uitkering wordt tenslotte in geld verstrekt, niet in natura.

Door verbeterde gezondheidszorg neemt het aantal ouderen toe, dus ook arme ouderen. In 1913 komt er een invaliditeitswet met een basisinkomen voor iedereen boven de 70 jaar. Overigens blijven velen nog afhankelijk van de armenzorg, het gezegde ‘te weinig om van te leven, te veel om van te sterven’ geeft een indruk van de hoogte van de uitkering. Toch is dit een ommekeer omdat er sprake is van een algemene (dus nationale) uitkering.

Tussen de twee wereldoorlogen ontwikkeld de basisverzekering zich verder. Voor werkelozen zijn er twee uitkeringen: de werkeloosheidsverzekering en de steunregeling. De eerste gaat uit van de vakbeweging en is een onderling fonds, waarin men stort vergelijkbaar met risicodekking in  gildeverband. De steunregeling is wederom een laatste redmiddel. Omdat niet alle arbeiders en beroepsgroepen zijn georganiseerd en/of een fonds hebben is van een algemene regeling geen sprake. Vooral in de jaren dertig hebben grote groepen werkelozen het moeilijk. Door het ontbreken van controle op steun, die bij de armenzorg wél aanwezig is, wordt gevreesd voor ‘arbeidsschuwheid’. Gemeenten harmoniseren onderling het beleid waardoor het idee van bestaansminimum aan kracht wint, al ligt dit bestaansminimum bij het voorkomen van hongersnood.

Beeldbank Stadsarchief Amsterdam

In de tweede wereldoorlog wordt door de geallieerden een aantal sociale grondrechten geformuleerd, in dat kader gaat ook de Nederlandse regering van start met nieuw beleid. De Duitse bezetter voert ondertussen de kinderbijslag en de gezondheidsverzekering in, beide algemeen. De term ‘verzorgingsgedachte’ valt voor het eerst.
Na 1945 neemt de werkgelegenheid toe zodat alleen bejaarden, invaliden en alleenstaande vrouwen een beroep doen op de armenzorg. een stap in de richting van de verzorgingsstaat die er uiteindelijk in 1963 komt met de bijstandswet. Deze wet regelt uiteindelijk het bestaansminimum waar iedereen aanspraak op kan maken. Dat hiermee de armoede niet is uitgebannen blijkt uit de oprichting van de voedselbank in 2002.

Bronnen:

Kinderen van Amsterdam: Burgerweeshuis, Aalmoezeniersweeshuis, Diakonieweeshuis, Sociaal-agogisch Centrum
De Poort: de Oudemanhuispoort en haar gebruikers, 1602-2002
Amsterdamse gasthuizen vanaf de middeleeuwen
Van Pauperzorg tot bestaanszekerheid

Afbeeldingen:

Stadsarchief Amsterdam

Tags:

Armenzorg tot 1795

Geplaatst in Algemeen op januari 30th, 2011 door Tom

De stad en de armoede

De stad is de plek waar armoede zich toont, op het platteland wonen natuurlijk ook armen maar daar is iedereen is ongeveer even arm of anders zijn de verschillen zo groot dat men elkaar nauwelijks tegenkomt. In de stad is armoede zichtbaar, arm en rijk komen elkaar tegen en wonen dicht bij elkaar, zonder betaalde arbeid is men snel arm. De armenzorg is dan ook bij uitstek een stedelijke instelling.

Vanuit een historisch perspectief is het begrip armoede relatief, in de 21e eeuw denken we bij armoede aan weinig bezit, weinig reserve, slecht en weinig eten. Zo bezien leeft het grootste deel van de historische Amsterdammers in armoede.
Anderzijds is men tot in de 20ste eeuw pas arm als men honger heeft en/of fysiek leidt. Opvang wordt geregeld door familie, gilde, buren en de kerk in die volgorde. De armenzorg beperkt zich tot het voorkomen van hongersnood, en dan slechts tijdelijk.
Langdurige armoede wordt gezien als een keuze, ondersteuning leidt tot luiheid. Hieruit volgt het verheffen van de armen, de arme moet worden gestimuleerd, aangespoort en desnoods gestraft als hij niet (letterlijk) meewerkt. Om misbruik te voorkomen komt er controle en registratie.
In tijden van tegenspoed zijn er te weinig middelen, wie wordt bedeeld en wie niet? Men wordt beoordeeld en veroordeeld, dit leidt ook in goede tijden tot uitsluiting. Misdadigers, dronkaards, ongehuwde moeders en andere niet aangepasten worden niet geholpen. Zij proberen te overleven door te bedelen, en te stelen. De roep om verheffing danwel straf klinkt, en zo is de cirkel weer rond.

Onschuldigen

Kinderen, gehandicapten, krankzinnigen en de zeer ouden vormen de uitzondering. Zij zijn de onschuldigen en vallen buiten de standen, middeleeuwse begrippen die  tot in de 19e eeuw de armenzorg verdelen. Er zijn vier standen: de koning, de edelen, de kerk en de rest. Iedereen heeft een door God bepaalde positie en is verantwoordelijk voor de lagere stand. Onschuldigen vallen buiten deze rangorde en zijn niet verantwoordelijk voor zichzelf.
Voor deze onschuldigen ontstaan al vroeg in de Amsterdamse geschiedenis voorzieningen die eeuwen lang blijven bestaan. Omdat deze instellingen hun sporen in de fysieke stad hebben nagelaten worden zij elders apart behandeld, ik beperk mij in dit artikel tot een algemene geschiedenis en de veranderende situatie voor gezinnen en alleenstaanden.

Aalmoezeniers op huisbezoek

Historische ontwikkeling

In de middeleeuwse stad zijn drie gasthuizen die iedereen zonder vaste verblijfplaats verzorgen: varende lieden, landlopers en bedelaars, reizende geestelijken, pelgrims, kinderen, bejaarden en zieken. Alleen de laatste drie groepen kunnen langer dan drie dagen blijven. Alle gasthuizen worden beheerd door de kerk, de stad betaald mee. Het oudste gasthuis bevind zich achter het oude stadhuis aan de Dam (toen nog de Plaets) en wordt voor het eerst genoemd in 1364. Het tweede en derde huis bevinden zich in de Nes en op de Nieuwendijk. In 1422 komt er een vierde gasthuis, tegenover de Heilige Stede, tussen Kalverstraat en Begijnensloot. Overigens worden reizigers en zieken wel gescheiden. Wegens besmettingsgevaar worden er buiten de stad ook een apart pesthuis (WG-terrein) en leprozenhuis (Waterlooplein) gesticht. De gasthuizen gaan zich later steeds meer op zieken richten en veranderen uiteindelijk in ziekenhuizen.

Vanaf ongeveer 1370 worden door de stad ‘vier goede eerzame’ lieden aangewezen die de arme huyssittende luden met geld, eten, turf en soms met inwoning helpen. Het huyssitten is hier te lezen als werkeloosheid. De bedeeling gebeurd eerst vanuit huiszittenkappellen in de kerk(en) en later vanuit hun voorraadhuizen: de Huiszittenhuizen.

Ene Jan Paarslaken stelt ook een aantal huisjes ter beschikking voor gratis kost en inwoning, waarschijnlijk aan ouderen.
Tot de alteratie is de gehele armenzorg een taak van de kerk. Door de verplichting van goede werken krijgt de kerk geld om de armen te verzorgen. Er wordt uitgebreid gecollecteerd (ook buiten de kerkdienst) en er wordt gedoneerd via legaten en giften. Soms met de bepaling dat moet worden gebeden voor het zielenheil van de gever.
Na de reformatie vervalt de verplichting van goede werken. Al snel neemt de stedelijke overheid de armenzorg over. Maar waarom doet zij dat? In de bijbel, de basis van de protestantse leer, wordt de verplichting tot armenzorg zeker genoemd. “Ik was hongerig en u gaf mij te eten” zegt Jezus. Maar Hij spreekt tot het individu, niet over armenzorg als instituut. Waar komt het uitgebreide stelsel van armenzorg, waar Amsterdam in de 18e eeuw beroemd om is, dan vandaan?

Armenzorg en openbare orde

Met de opstand is de bestaande orde radicaal gewijzigd, er is geen koning meer, het gezag van de kerk is ondermijnd, edelen maken niet langer de dienst uit in de Staten. Men heeft behoefte aan orde en ordening. Armenzorg is een goede manier om onrustige elementen in de samenleving te controleren, op hun plaats te brengen en te houden.
Waarom deze controle?
Amsterdam is deels afhankelijk van de Oostzeehandel voor de eerste levensbehoeften. De Amsterdamse handelaren exporteren haring, zuivelproducten en zout naar Duitsland, Polen en de Baltische staten. De retourvracht bestaat vrijwel geheel uit granen, die in de vochtige Hollandse grond nauwelijks willen groeien. Naast brood is ook bier een eerste levensbehoefte omdat het Amsterdamse water vuil is en melk bederfelijk. In de 16e eeuw gaat 80% van het loon van de ongeschoolde arbeider op aan voedsel en drinken. Werkeloosheid betekent honger. Zonder armenzorg liggen onrust en oproer op de loer.
Anderzijds zijn de rijken kwetsbaar. Het moderne bankwezen met papiergeld, rekeningcourant etc. is onbekend. Dat betekend dat rijkdom bezit is, goederen, munten, onroerend goed, etc. Vaak moeilijk te verplaatsen, en gemakkelijk kwijt te raken door oproer.

Er ligt natuurlijk een paradox in dit verhaal: bij economische neergang is men genoodzaakt de toegang tot de armenzorg te beperken terwijl het aantal armen toeneemt. Bij economische groei worden er aanvullende maatregelen genomen etc. Ook na de Fanse tijd, als de wetgeving nationaal niveau wordt bepaald, blijft de economie het beleid beïnvloeden.

De stad is niet de enige die armenzorg verstrekt. Particulieren richten instellingen voor ouderenzorg op (bijvoorbeeld hofjes) overigens vaak om geloofsgenoten te huisvesten. De armenzorg komt zo ook de religeuze tolerantie ten goede: reeds in 1620 wordt de Roomse Armenverzorging als aparte instelling gedoogd en in 1661 officieel toegelaten. Wanneer andere geloofsgemeenschappen voor erkenning aankloppen wordt het onderhouden van de eigen armen dan ook steeds als voorwaarde genoemd. Hierdoor wordt de armenzorg opnieuw een taak van de kerk.

Waar de stad zich bemoeid met armenzorg betreft het de openbare orde. Er worden een rasphuis en een spinhuis gesticht om gezonde bedelaars in op te vangen en aan het werk te zetten. Deze instellingen veranderen echter na verloop van tijd in tuchthuizen waarin misdadigers en prostituees worden opgesloten. Door middel van keuren probeert men het bedelen aan banden te leggen, in 1613 wordt het helmaal verboden. In dat jaar sticht het stadsbestuur het Aalmoesseniers-Huis een instelling speciaal voor de laagste klassen. Een instelling met een brede doelgroep: kinderen opvangen, kwaadaardige ziekten genezen, bedelaars naar het spin- en rasphuis sturen, reizigers zonder geld wegsturen en lijken begrafen.

Uitdeling van brood in het Aalmoezeniershuis

Paleizen voor de armen

Na de reformatie heeft de stad het grote aantal kloosters ingezet om de armenzorg te reorganiseren en huisvesten. Het Burgerweeshuis, Oudemannenhuis, Binnengasthuis, Rasphuis en Huyszittenweduwenhuis krijgen kloosters toegewezen. Daarnaast ontstaat in de 17e eeuwse uitleg ook ruimte voor instellingen, het Diakonie oude-vrouwenhuis (nu Hermitage), en het Aalmoesseniersweeshuis (nu Paleis van Justitie) zijn hier voorbeelden van. Deze grote en goed georganiseerde instellingen krijgen internationale bekendheid en veel (betalende) bezoekers.

Na de vierde Engelse oorlog (1780-1784) gaat het snel bergafwaarts met de economie. Door een combinatie van het wegvallen van de internationale handel en krimp van de interne markt krijgt de economie harde klappen. Door de verlichting en de Franse revolutie zijn de ideeën over armenzorg veranderd. Niet langer is armoede een mogelijkheid om barmhartigheid te tonen, maar een last die moet worden gedragen.

In een volgend artikel ga ik verder met de ontwikkelingen in de armenzorg in de 19e en 20ste eeuw.

Bronnen:

Kinderen van Amsterdam: Burgerweeshuis, Aalmoezeniersweeshuis, Diakonieweeshuis, Sociaal-agogisch Centrum
De Poort: de Oudemanhuispoort en haar gebruikers, 1602-2002
De rijke Republiek: gilden, assuradeurs en armenzorg 1500-1800
Amsterdamse gasthuizen vanaf de middeleeuwen
Van Pauperzorg tot bestaanszekerheid
Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578

Afbeeldingen:

AHM Collectie online

Tags:

Gilde

Geplaatst in Algemeen op december 31st, 2010 door Tom

Verbanden van de midden-stand

Vanaf de vroege middeleeuwen wordt het begrip gilde gebruikt om verschillende organisaties te beschrijven: Broederschap, compagnie, sociëteit, college en gilde worden door elkaar gebruikt. Dit is te verklaren uit de middeleeuwse wetgeving waar de ziel of het individu de norm is, men kent geen rechtspersonen zoals de huidige stichting of vereniging.
Nadeel van het gebrek aan wettelijke status is het onvermogen om leden die zich niet aan de afspraken houden te straffen. De zwaarste straf die een gilde kan opleggen is uitsluiting, zelfs als er sprake is van flinke economische schade. Het gilde kan geen boetes opleggen of goederen confisceren, omdat de middeleeuwse rechtspraak dit niet toelaat. Onderlinge controle is een noodzaak die ook een sociale rol gaat spelen in een stad die groot genoeg is om tot anonimiteit te leiden.
Het gilde kent verschillende verschijningsvormen en voorziet in behoeften op sociaal, economisch en politiek vlak. In steden als Utrecht, Antwerpen en Brugge hebben gilden een belangrijke rol in het stadsbestuur en voorzien als zodanig in de behoefte van inspraak. Binnen Amsterdam zijn gilden nooit tot deze positie gekomen, omdat de stad later is ontstaan dan voornoemde steden. De positie van de burgermeesters voorkomt dat de gilden zoveel macht krijgen.
De behoefte aan vormen van verzekering en risicodekking worden ook in gildeverband vervult. Vooral rijkere gilden hebben een kas voor ondersteuning bij ziekte of overlijden. Als laatste kan een gildelidmaatschap ook status geven, bijvoorbeeld door een fraai gildehuis of -altaar. Toch zijn genoemde zaken nooit het hoofddoel van een gilde. Gilden worden opgericht als vereniging van leden op het gebied van religie, economie of of stadsverdediging. De overeenkomsten vinden we verder in de éénkoppige leiding en poorterschap van gildeleden. Sterker nog binnen Amsterdam moeten alle ambachtslieden Poorter zijn. Binnen Amsterdam ontstaan en groeien gilden samen met de nederzetting.

Ingang gildehuis van het Wijnkopersgilde

De koppeling tussen gilde en poorterschap is geen toeval en gaat terug naar de scheiding tussen stad en platteland die tot 1798 bestaat.
Tot die tijd dankt Amsterdam zijn onafhankelijkheid ten opzichte van hertog en stadhouder aan vier zaken.
1. Wet. Stadsrechten, Keurrecht en andere privileges;
2. Schutterijen. Verdediging van de stad en orde bewaren;
3. Armenzorg;
4. Economische gilden. Zij geven burgers de kans een stabiele middenstand te vormen en nemen een belangrijk deel van het bestuursapparaat voor hun rekening. Als voorbeeld noem ik het Haringpakkersgilde. Dit gilde zorgt voor belasting inning op gezouten haring. De keurmeester, aangesteld door het gilde, controleert de kwaliteit van de haring die in tonnen wordt verpakt. Hij verzegelt de tonnen en garandeert daarmee de kwaliteit en de hoeveelheid. De haring wordt vervolgens via de Oostzee naar bijvoorbeeld Gadansk vervoerd waar men ze verhandelt. Door het zegel kunnen kopers aldaar vertrouwen op de kwaliteit en kwantiteit, hierdoor krijgen handelaren een gegarandeerde prijs. Daardoor blijven de kosten laag en wordt Amsterdam een populaire handelspartner. De Oostzeehandel vormt de basis van de Amsterdamse handel en staat aan de wieg van de gouden eeuw. Op hun beurt gebruiken gilden de verkregen positie om invloed uit te oefenen op het (economische)beleid. Omdat gildeleiders gekozen worden krijgen gildeleden zo op stadsniveau enige inspraak. Welliswaar zeer beperkt en indirect, maar het zelfde geldt voor de moderne kiezer.

De onafhankelijkheid van Amsterdam ten opzichte van de provincie eindigt met de Franse bezetting en het invoeren van de eerste grondwet. Gilden worden daarmee afgeschaft, hoewel dat niet zonder meer gebeurd. Reeds in 1795, vlak na de Franse invasie, worden de eerste pogingen gedaan het gildestelsel op te heffen. Gilden presenteren zich als organisaties van oprechte burgers, de ruggengraat van de samenleving. Daarmee gaan zij voorbij aan de grote verschillen die zijn ontstaan tussen de bevolking in de steden en op het platteland:

  • Grote verschillen in behandeling voor de wet door poorterschap en gildelidmaatschap;
  • Ambachtslieden buiten het gilde vallen zijn buiten het systeem van controle en daardoor worden hun producten voor aanzienlijk lagere prijzen verkocht en verhandeld;
  • Het gildesysteem is sterk plaatsgebonden en past niet in een nationale politiek;
  • De monopolies van gilden passen niet in de opkomende industriële samenleving.

Ingang St. Lucasgilde (schilders) aan de Waag

Hieronder volgt een korte uitleg van religieuze en economische gilden, door hun wezenlijk andere taak verdienen krijgsgilden (schutterijen) een apart artikel.

Religieuze gilden

Tot de Alteratie hebben alle gilden een patroonheilige en soms zelfs een altaar in de kerk. Een beeld van deze heilige wordt meegedragen in één of meer jaarlijkse processies die binnen de stad plaatsvinden.
Daarnaast zijn er een aantal religieuze gilden actief in de stad. Zij hebben een kapel of altaar gewijd aan de patroonheilige en organiseren regelmatig gebedsdiensten (voor overleden) leden. Deze gilden zijn ook verantwoordelijk voor het oprichten van de vier gasthuizen in de stad hiermee tegemoet komend aan de verplichting van goede werken. Met de Alteratie verdwijnen de religieuze aspecten uit het gildeleven. Door de veranderde religieuze denkbeelden is het in gezamenlijk verband bidden voor de zielen van overledenen niet langer nodig, de religieuze gilden worden opgeheven. De stedelijke overheid neemt de zorg voor de gasthuizen over.

Ambachtsgilden

Ambachtsgilden zijn gericht op de stabiliteit van prijs en kwaliteit. Ambachtsgilden zijn monopoliehouder, maar zij gaan hier flexibel mee om. Zo worden er bijvoorbeeld producten van andere gilden verkocht en kunnen ambachtslieden van elders toetreden tot het gilde. Om prijs en kwaliteit stabiel te houden organiseren ambachtsgilden een leerlingstelsel waarbij binnen het gilde het vak wordt geleerd. Na een leertijd van ongeveer 5 jaar bij verschillende meesters kan de leerling toetreden als gezel. Nu kan hij bij een meester in dienst treden tegen een vaste vergoeding. Door het afleggen van een meesterproef krijgt ontstaat de mogelijkheid een eigen bedrijf of winkel te beginnen.
Het gilde zorgt zo voor beperking van het ondernemers risico. Voordeel is een gering aantal aanbieders waardoor een ambachtsman grondstoffen en tijd kan investeren terwijl hij is verzekerd van een goede opbrengst. De afnemers krijgen zo een gegarandeerde kwaliteit.
Nadeel is het wegvallen van de noodzaak tot innovatie. Dit leidt tot een conservatieve instelling waarbij vernieuwers worden geweerd of gedwongen de bestaande methoden te gebruiken. De economische achterstand van Nederland ten opzichte van andere Eest-Europese landen, eind 18e eeuw, is deels veroorzaakt door het verzet tegen industrialisatie van de ambachtsgilden.
Uitsluiting van het gilde betekend dat het ex-lid de naar een andere stad moet verhuizen om zijn ambacht uit te oefenen.

Handelsgilden

Handelsgilden vormen enerzijds bescherming tegen kwaadwillend gezag elders en dienen anderzijds als waarborg voor de afnemer.
Handelaren die samen in een gilde opereren kunnen een bestemming boycotten. Voor het gezag aldaar betekend dit een lager inkomen uit accijnzen en mogelijk tekorten van bepaalde goederen. De afnemers kunnen bij wanprestatie van één gildelid de goederen van een ander gildelid confisqueren. Door de grote afstanden en slechte communicatie is de onderlinge controle bij een handelsgilde lastig, maar voor leden van het gilde betekend uitsluiting het einde van de handelscarrière, vertrouwen staat immers aan de basis van alle handel. Handelsgilden zijn in Amsterdam nooit belangrijk geweest omdat reeds in de 16e eeuw de bestuurselite wordt gevormd door handelaren met nauwe (familie) banden. Deze nauwe banden maken het werken in een formeel gildeverband overbodig.

Gilden van dientstverleners

Onder de noemer dienstverlening valt een grote verscheidenheid aan beroepen, de gilden bestaan bij de gratie van een monopolie op deze diensten, verleend door het stadsbestuur.
De gilden gebruiken dit monopolie om de leden een stabiel inkomen te geven. Gilden in deze categrorie kunnen zeer rijk zijn met veel invloed maar ook bestaan uit dagloners. Twee voorbeelden: het korenmetersgilde en het korendragersgilde. Korenmeters bepalen de hoeveelheid scheppen graan in een betaalde transactie. inhoud van Het Korenmetersgilde bestaat uit lieden die hoogst betrouwbaar en niet omkoopbaar (dus goed betaald) zijn. Het Korendragersgilde bestaat uit dagloners. Dagloners, de naam zegt het al verdienen net genoeg om te leven en hoeven dus veel minder betrouwbaar te zijn. Bij de korenmeters is uitsluiting funest, hij kan hierna alleen nog elders als dagloner (!) aan de slag. Voor een korendrager levert uitsluiting nauwelijks nadeel op, hij is dagloner. Diefstal is dan ook het enige waar een korendrager voor zal worden uitgesloten. De wet straft diestal met het afhakken van een hand. Er bestaan dan ook geen wetten die omkoping bestraffen wel wetten tegen diefstal.

Bronnen:

http://www.iisg.nl/hpw/papers/guilds-prak.pdf
http://eh.net/encyclopedia/article/richardson.guilds
Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578

Tags:

De Alteratie

Geplaatst in 1578, Algemeen op oktober 29th, 2010 door Tom

Jan LuykenAmsterdam’s fluwelen revolutie

Volgens de middeleeuwse dogma’s van de Rooms-Katholieke kerk is het geloof alleen niet genoeg om in de hemel te komen. Geloof, liefdadigheid én goede werken samen brengen verlossing. Eén van de goede werken is geld schenken aan de kerk; dit kan ook via het kopen van aflaten. Met behulp van aflaten kan men, samen met de biecht, het verblijf in het vagevuur verkorten.

In 1517 worden in Duitsland aflaten verkocht als onderdeel van een campagne om de herbouw van de Sint Pieter in Rome te bekostigen. Naar aanleiding van deze verkoop schrijft Maarten Luther een brief die hij samen met zijn 95 stellingen aan de aartsbisschop stuurt. In deze brief staat onder andere de vraag waarom ‘de paus, wiens rijkdom groter is dan dat van Crassus [...] geld nodig heeft van de arme gelovigen’. Deze stellingen, die een reformatie van de kerk voorstaan,  verspreiden zich binnen enkele maanden door heel Europa. In 1519 komt Luther in conflict met de Paus. Luthers stelling dat de Bijbel de enige bron en wet is levert hem een excommunicatie op, immers het canoniek recht is de basis van de kerkelijke organisatie. Luthers ideeën zorgen voor grote beroering in heel Europa. Her en der staan anderen op die de nieuwe leer verkondigen.

In Amsterdam vinden de Wederdopers veel aanhang. Dit leidt in 1535 tot een oproer en een poging van de Wederdopers om de macht over te nemen. Door dit oproer krijgt het behoudende katholieke deel van de bestuurselite de macht in handen. Ondertussen vindt in Holland het protestantisme steeds meer aanhang; dit zeer tegen de zin van de koning (Philips II). Zijn zuster, de landvoogd, vaardigt vele ‘plakkaten’ uit tegen deze ketterij. Naar aanleiding van een smeekschrift van de calvinistische edelen in april 1566 schort de landvoogd de vervolgingen op. Deze actie wordt te ruim geïnterpreteerd waardoor er overal in de noordelijke Nederlanden protestantse predikers opduiken, die buiten de steden ongehinderd hun zogenaamde ‘hagepreken’ houden. De zomer is heet en lang en eindigt met de Beeldenstorm die van zuid naar noord door de Nederlanden trekt. Wanneer in oktober 1566 een aantal steden zich openlijk protestants verklaren is de opstand een feit.

De koning stuurt zijn hertog Alva plus een groot aantal manschappen om de ketters te vervolgen. Alva stelt onmiddellijk na aankomst de Bloedraad in. Door dit gerecht worden protestanten zwaar gestraft; de steden Zutphen en Naarden worden zelfs geheel uitgemoord. De opstandelingen noemen zich Geuzen, hiermee verwijzend naar een opmerking van een adviseur van de landvoogd die de edelen ‘guex’ of bedelaars had genoemd

In 1572 kiezen de meeste Hollandse steden voor het nieuwe geloof maar in Amsterdam blijft het Rooms-Katholieke bestuur koningsgezind en de stad raakt daardoor geïsoleerd. Na 1574 zijn de Geuzen aan de winnende hand. Zij beheersen handelsroutes op de Zuiderzee, en routes langs Alkmaar en Vlissingen. Dit betekent dat de Amsterdamse economie vrijwel stil ligt.

Op 26 mei 1578 vindt in Amsterdam de Alteratie plaats. Drie hervormingsgezinde schutterijen halen de drie zittende burgemeesters uit het stadhuis, hun huizen en zelfs hun bed. Samen met de katholieke geestelijken worden de burgemeesters op schuiten gezet. Deze varen over het Damrak naar de Diemerzeedijk, waar zij allen worden vrijgelaten. Weliswaar zijn zij verbannen uit de stad maar tot hun verbazing blijven ze ongedeerd. Het bestuur wordt overgenomen door een protestantse elite.

Katholieke instellingen worden opgeheven, de kerken worden gereformeerd en de bezittingen van kloosters en kerken worden verkocht of aan liefdadigheidsinstellingen geschonken. De Katholieke eredienst wordt officieel verboden, maar Katholieken worden binnen Amsterdam niet vervolgd, en enkele jaren later zijn schuilkerken een feit.

Bronnen:

Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578
De Poort: de Oudemanhuispoort en haar gebruikers, 1602-2002

Tags:

Groei van een stad, bevolkingsgroei van 1200 tot 1900

Geplaatst in Algemeen op oktober 17th, 2010 door Tom

Dat de bevolking van Amsterdam door de geschiedenis heen is toegenomen is een gegeven. In de eerste eeuwen is de groei een gevolg van de toegenomen bevolkingsdichtheid en verstedelijking.
Voor 1494 ontbreken heldere gegevens over aantallen, in dat jaar wordt het aantal huizen geteld (1919) bij ongeveer 5 bewoners per huis komen we uit op 9600 mensen
Na 1575 begint een stroom vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden de stad binnen te komen, op de vlucht voor de oorlog en aangetrokken door het vasthouden van de stad aan het Katholieke geloof. Na de alteratie in 1578 blijft Amsterdam een goede vestigingsplaats omdat het stadsbestuur de Katholieke eredienst gedoogd. Tegelijkertijd neemt de handel toe waardoor het aantal arbeidsplaatsen toeneemt. Dit versterkt de groei van de bevolking die binnen de stad weer geld uitgeeft. Deze effecten blijven elkaar versterken.
De groei van immigranten neemt verder toe maar de economie komt na 1648 (vrede van Munster) stil te liggen. Antwerpen neemt weer een deel van de oude positie in en de Engelse oorlogen breken uit. Een eeuw van teruggang dient zich aan en pas in 1860 wordt het oude niveau gehaald. Door de centralisatie van de overheid en de invoering van de gemeentewet van 1851 is de positie van Amsterdam dan een wezenlijk andere. De groei van 1860 tot 1900 en daarna is voornamelijk te danken aan rijksprojecten die een impuls geven aan de haven en de handel. Door deze impulsen breekt in Amsterdam de industriële revolutie door.

Bevolkingsaantallen

Start jaarTot jaarVanTot
1200149609500
1514157811.00025.000
1578162230.000100.000
16221650100.000175.000
16751725210.000230.000
17251790230.000220.000
17901813220.000180.000
18131860180.000230.000
18601900230.000510.000
De aantallen zijn niet voor alle jaren bekend en zijn niet precies te geven. De kolom Van geeft de laagste bekende aantallen, de kolom Tot de hoogste.

Bronnen:

Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578
Geschiedenis van Amsterdam, Deel II-1. Centrum van de wereld 1578-1650
Geschiedenis van Amsterdam, Deel II-2. Zelfbewuste stadstaat 1650-1813
Geschiedenis van Amsterdam, Deel III. Hoofdstad in aanbouw 1813-1900

Tags:

Keur

Geplaatst in Algemeen op oktober 3rd, 2010 door Tom

Keuren of stadskeuren zijn lokale wetten of verordeningen die de de rechten en plichten van burgers binnen de stad regelen. Keuren komen voort uit de positie van een stad als zelfstandige juridische entiteit.

Tot 1300 zijn de inwoners van Amsterdam, volgens het feodale systeem, verplicht gehoorzaam en trouw te zijn aan hun heer, de Graaf van Holland. In 1300 wordt door een oorkonde de stad als zodanig erkend. Een belangrijk artikel in deze oorkonde is het recht om zelf keuren op te stellen. Binnen de stad wordt de Graaf vertegenwoordigd door de schout die samen met een aantal gekozen burgers (de schepenen) de stad bestuurd. Samen hebben zij het recht keuren op te stellen, burgers te berechten en veroordelen en poorters te kiezen. Het woord keur stamt af van ‘wilcore’of ‘willekeure’, het middeleeuwse woord ‘keure’ betekend keuze, het zijn dus de keuzen die de stad kan maken binnen de regels, opgesteld door de Graaf. In eerste instantie gaan de keuren alleen over strafrecht maar al snel worden ook civielrechtelijke zaken geregeld. De schepenen krijgen hulp van de zogenoemde raden (de latere burgemeesters) als experts in gewoonterecht en financiën. Het gewoonterecht speelt eerst nog een grote rol, maar met de groei van de stad wordt steeds meer vastgelegd in keuren.

Keuren kunnen betrekking hebben op de volgende zaken: openbare orde, financiën, openbare werken, verdediging, handel, nijverheid en liefdadigheid. Vanaf 1342 worden ook de onderwijzer en de koster door de stad benoemd, door verschillende keuren krijgt de stad later grote invloed op het religieuze leven van z’n inwoners. Keuren regelen allerlei aspecten van het openbare leven en mede hierdoor ontstaat een aparte cultuur. Waar keuren eerst ieder jaar moeten worden verlengd worden ze later permanenter, de keuren worden dan samengevoegd in speciale keurenboeken. Er zijn keuren voor speciale processies in moeilijke tijden, het gewicht van een brood, wat er niet mag op het kerkhof (was ophangen, prostitutie, handel drijven), maar ook zaken van openbare orde (verlichting, reiniging, het zingen van opruiende liederen) en handel.

Met behulp van het keurrecht krijgt de bestuurselite vanaf halverwege de 15e eeuw grip op alles in de stad, mede hierdoor wordt Amsterdam een grote autonome macht die vooral in de 17e eeuw zijn invloed doet gelden. De keuren verliezen hun functie met de hervormingen in de Franse tijd (vanaf 1798) wanneer de wetten nationaal worden en de stedelijke macht verdwijnt.

In de Oude Kerk is nog steeds een keurenkamertje te vinden, een met ijzer versterkt kamertje dat alleen bereikbaar is met een ladder. Daar werden de orginele keuren en oorkonden bewaard, en met succes; de originele oorkonde uit 1342, waarin door de Graaf van Holland de stadsrechten uit 1300 worden bevestigd en uitgebreid, is wordt nu bewaard in het Stadsarchief.

Bronnen:

Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578
Geschiedenis van Amsterdam, Deel II-1. Centrum van de wereld 1578-1650
Geschiedenis van Amsterdam, Deel II-2. Zelfbewuste stadstaat 1650-1813
Geschiedenis van Amsterdam, Deel III. Hoofdstad in aanbouw 1813-1900

Tags:

Poorter

Geplaatst in Algemeen op september 19th, 2010 door Tom

Om het poorterschap te begrijpen, moeten we terug naar 1300, wanneer Amsterdam stadsrechten krijgt. Belangrijke aspecten van die stadsrechten zijn de rechtspraak, het eigen stadsbestuur en het recht om een Keur op te stellen. Vanaf het moment dat er stadsrechten worden verleend aan een stad, wordt er onderscheid gemaakt tussen zij die daar wonen (poorters) en zij die later komen (ingezetenen). Amsterdamse poorters worden binnen de stad berecht, kiezen het stadsbestuur en zijn vrijgesteld van tolbetaling binnen Holland.

Er zijn drie manieren om poorter te worden: door geboorte, door huwelijk (dit geldt alleen voor mannen) of door zich in te kopen als poorter. In de loop van de 15e eeuw moet men een poorterseed afleggen bij het inkopen en het huwelijk.
Plichten van een poorter zijn belasting betalen en wacht lopen ter verdediging van de stad. Later gelden deze plichten ook voor ingezetenen zonder dat zij de privileges genieten. Die privileges worden steeds uitgebreider: onder andere lidmaatschap van een gilde, toegang tot voorzieningen, kans op een baan bij het stadsbestuur en ook status. Dit leidt ertoe dat vanaf 1650 zelfs vijftig gulden wordt gevraagd om het poorterschap te kopen, een half jaarsalaris voor een ambachtsman.

Het poorterschap blijft bestaan tot 1798 als de Fransen met de eerste grondwet de juridische verschillen tussen stad en platteland opheffen.

Bronnen:

Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578
Geschiedenis van Amsterdam, Deel II-1. Centrum van de wereld 1578-1650
Geschiedenis van Amsterdam, Deel II-2. Zelfbewuste stadstaat 1650-1813
Geschiedenis van Amsterdam, Deel III. Hoofdstad in aanbouw 1813-1900

Tags:

Bleekveld

Geplaatst in Algemeen op augustus 23rd, 2010 door Tom

Bleekveld

Het bleekveld is een grasveld waarop linnen kan worden gebleekt.
Om linnen fris en licht te houden wordt het uitgelegd op schoon gras op een droge plek waar dieren en kinderen niet mogen komen. De combinatie van zon en vocht zorgen voor het ontstaan van vrije zuurstof atomen, die een witmakende functie hebben.

Begijnen deden de was om geld te verdienen, een bleekveld wordt dus vaak teruggevonden op een begijnhof.

Tags:

Welkom!

Geplaatst in Algemeen op augustus 23rd, 2010 door Tom

Welkom bij Geschiedenis Amsterdam een blog over de Amsterdamse historie, in stukjes.
Voor meer informatie kun je naar de ‘Over’ pagina.
Als je op de hoogte wilt blijven van nieuwe stukjes gebruik dan de knoppen voor e-mail, RSS of  Twitter.
Ik wens iedereen veel leesplezier en aarzel niet om aanvullingen of kritiek te geven. Internet is wel het beste medium genoemd voor het geven van feed-back en ik verzeker je dat alles zal worden gelezen.