110 jaar invloed op de woningbouw
De woningwet heeft aan de basis gestaan van veel zaken die wij nu als vanzelfsprekend ervaren: Ruimtelijke ordening, gescheiden slaapkamers, aparte woon- en slaapvertrekken, allen zijn beïnvloed door deze wet. Bij de uitbreidingen van de laatste eeuw is de wet als geen ander gezichtsbepalend geweest voor zowel de vorm van de straat als die van de woningen.
Geschiedenis van de bouwverordening
Vanaf de middeleeuwen zijn er in Amsterdam keuren die huizenbouw regelen. In 1531 is er een bouwverordening met daarin zaken als muurdikte, rooilijn, materiaalgebruik, boetes en de keuring voor- en achteraf. De buitenkant van de huizen wordt zo al vroeg gereguleerd, maar de binnenkant blijft achter. Ook zaken als het aantal inwoners, onderhoud, inrichting en bijgebouwen vallen buiten de gemeentelijke zorg.
Er gebeurd er wat er altijd in de stad gebeurd; men zorgt ervoor dat er geen ongelukken gebeuren, geen misdrijven worden gepleegd en geen overlast wordt veroorzaakt. Een bouwverordening uit 1565 blijft met wat aanpassingen, tot 1905 in gebruik. Alleen inzake fundering en vestiging van bedrijfjes worden er aanvullende keuren opgesteld.
Zo blijft Amsterdam 350 jaar lang met min of meer de zelfde regels bouwen.

Beeldbank Stadsarchief
De holen der mensen…
Door verschillende elkaar versterkende factoren wordt de woonsituatie in de loop van de 19de eeuw onhoudbaar.
- Veel huizen in de stad zijn verkrot, het resultaat van ruim een eeuw economische recessie;
- Als gevolg van industrialisering en het aantrekken van de handel, kent de stad een forse bevolkingsgroei, met als gevolg woningnood;
- De stad is voor het laatst in de 17e eeuw uitgebreid, met een snel groeiende bevolking stijgen ook de grondprijzen. Nieuwbouw is alleen mogelijk voor de beter gesitueerden.
Het aantal kelderwoningen neemt toe, gezinnen wonen in één kamer met een bedstede of alkoof als slaapruimte.
In 1855 verschijnt een rijksrapport waarin staat: “De holen der mensen – en anders mogen wij de woningen van velen uit de min gegoede stand niet noemen – staan niet zelden ten achter bij de plaatsen, die ten verblijve voor vele dieren zijn afgezonderd”
In 1873 verschijnt een gemeentelijk rapport over de woonomstandigheden: de stad telt 4935 kelderwoningen waarvan er 3650 onbewoonbaar zijn. Ruim 1000 kelderwoningen zijn lager dan 1,60m.
Er worden verschillende initiatieven ontplooid om de woonomstandigheden te verbeteren: Al In 1851 is de eerste woningbouwvereniging opgericht. Het gemeentebestuur maakt plannen voor uitbreiding maar die lopen vast op de onteigening. Voor iedere onteigening moet de tweede kamer toestemming geven, die is in meerderheid liberaal en tegen overheidsinmenging. Bovendien stijgen de grondprijzen in de aangewezen gebieden na het bekend worden van de plannen.
Desondanks worden tussen 1870 en 1900 in de Pijp, Kinkerbuurt en Dapperbuurt 24.000 voor- en achter woningen gebouwd. Om te voldoen aan de vraag en als compensatie voor de gestegen grondprijzen zijn de woningen zo goedkoop mogelijk gebouwd. In de meeste woningen ontbreekt een aparte keuken en de slaapruimte is een alkoof tussen de voor- en achter woning. Zie bouwtekening hieronder. Deze toont een pand aan de Ferdinand Bolstraat met twee woningen per verdieping, met een alkoof tegen de tussenmuur. Zelfs woningbouwverenigingen zien zich gedwongen om kleine woningen, rug aan rug te bouwen anders wordt de huur te hoog. Desondanks worden de meeste woningen verhuurd aan de snel groeiende middenklasse en blijven de krotwoningen bewoond.
De Wet
Ondanks tegenstand vanuit de tweede kamer wordt in 1901 de woningwet aangenomen. De wet bied voornamelijk een kader voor gemeenten en is daardoor later gemakkelijk aan te passen. 100 jaar later zijn grote delen van de wet zijn nog steeds in gebruik. Sommige onderdelen, zoals ruimtelijke ordening, hebben tot een heel nieuw stelsel van wetten geleid.
De inhoud in grote lijnen:
- Gemeenten worden verplicht een bouwverordening opstellen met daarin regels voor kwaliteit van nieuwe woningen. In de bouwverordening moeten aantal zaken worden vastgelegd waaronder: rooilijnen, hoogte van huizen, afmetingen van vertrekken, trappenhuizen, privaten, drinkwatervoorziening en de toevoer van licht en lucht;
- Er worden verplichtingen aan verhuurders gesteld omtrent het aantal bewoners;
- Procedures rondom onbewoonbaarverklaring, ontruiming en afbraak van bestaande woningen;
- Maatregelen rondom het vereenvoudigen van onteigeningen ten behoeve van volkshuisvesting;
- Gemeenten kunnen overheidsgeld aan niet commerciële woningbouwverenigingen geven voor volkshuisvesting;
- Recht van gemeente op leningen (in vijftig jaar terug te betalen) voor bemiddeling in de volkshuisvesting.
Gelijk met de Woningwet komt er ook een Gezondheidswet – deze voorziet in preventieve controle op woningontwerpen.
In 1905 komt Amsterdam als eerste stad met een bouwverordening. Door de verplichting om in alle kamers een verbinding met de buitenlucht te maken verdwijnen alkoof en bedstee uit de stad.
In 1908/1909 worden de eerste woningwetwoningen gebouwd in de Van Beuningenstraat.
Tot de eerste wereldoorlog wordt er weinig gebruikgemaakt van de mogelijkheid tot lenen, ook omdat er veel private bouwondernemingen actief zijn. Tijdens de eerste wereldoorlog verdriedubbelen de grondstofprijzen en komt de private bouw stil te liggen. Na de oorlog is de woningnood tot ongekende hoogte gestegen. De eisen tot kostendekkend bouwen worden opgeschort en woningbouwverenigingen nemen het initiatief ook de gemeente leent 15.000.000,- voor bouw door het eigen woningbedrijf.
In 1920 komt de Woningnoodwet tot stand die particuliere bouw subsidieert. Door de enorme toeloop wordt de wet in 1923 alweer afgeschaft. Premies gelden niet voor winkels waardoor grote blokken met alleen woningen worden gebouwd (Hoofdweg, Vrijheidslaan en Insulindeweg). De Woningnoodwet leidt ook tot bouw van eengezinswoningen, eerst noodwoningen geheten, in Noord en Oost.
Binnen de gemeente worden de dienst Publieke Werken, Bouw en Woningtoezicht en het Woningbedrijf steeds belangrijker. De mogelijkheden die de gezondheidswet biedt worden ten volle benut, naast bouw- en woningtoezicht komt er ook een schoonheidscommissie die toeziet op architectonische kwaliteit.
De gemeentelijke bouwverordening evolueert en al snel worden naast kwaliteitseisen ook de breedte van de straten, het maken van een uitbreidingsplan en onteigening meegenomen. De gemeente denkt na over stedenbouw, een geheel nieuw concept. Architecten worden ingezet om woningen te ontwerpen en in samenspraak met ambtenaren de nieuwe wijken vorm te geven.

Beeldbank Stadsarchief
Architectuur
De invloed van de wet op de architectuur is indirect, de wet richt zich immers op het verbeteren van de kwaliteit. Toch gaan architecten zich ook bezighouden met huizenbouw, gestimuleerd door woningbouwverenigingen, de gemeente en het socialistisch gedachtegoed.
De architecten Van der Pek, Berlage, Kromhout en Bazel hebben in de 19de eeuw het fundament gelegd voor het ontwerp van een goede woning, volgens socialistische idealen. Zij formuleren een pakket van eisen:
- Geen woonvertrekken zonder directe verbinding met de buitenlucht;
- Scheiding van het woonvertrek en de keuken (was!);
- Voor- en achterzijde van de woning aan de buitenlucht, geen voor- en achterwoningen;
- Iedere woning is eigen eenheid, met eigen ingang en alle kamers achter de voordeur (dus geen vertrekken op de gezamelijke gang);
- Iedere woning heeft een eigen privaat (wc);
- Scheiding van de woon- en slaapvertrekken.
Deze eisen vinden we terug in de bouwverordeningen van de gemeente, vervolgens architecten weer betrekt bij stedebouw.
Hierdoor komt een volgende generatie architecten op die de stedebouwkundige plannen vult met expressionistische vormen om te komen tot verheffing van de arbeider. Hun architectuur staat bekend als de Amsterdamse school.
Bronnen:
De woningwet, 1902-1929: gedenkboek …
Handleiding voor Woningbouw Vereeningingen
6,5 miljoen woningen: 100 jaar en woningwet en wooncultuur in Nederland
Afbeeldingen:
Beeldbank Stadsarchief Amsterdam