Burgerweeshuis

Geplaatst in Centrum op februari 18th, 2011 door Tom

450 jaar zorg voor weeskinderen

Met het stichten van de stad wordt het zorgen voor de onschuldigen genoemd als een van de taken van de raden (de latere burgemeesters).
In 1466 wordt de weeskamer opgericht, deze verzorgt vooral het beheer van geld en goederen van vermogende wezen, rond 1520 wordt dit overgenomen door het Weeshuis (later Burgerweeshuis).

Dit weeshuis wordt gesticht op de hoek van de Kalverstraat en de Sint Luciënsteeg ter hoogte van het huidige nr. 59. De stichting is toegeschreven aan Haesje Claes maar dat lijkt een abuis.
De organisatie van het Burgerweeshuis wordt vastgelegd in een keur van 1523. Zoals gebruikelijk bij openbare voorzieningen is het weeshuis alleen toegankelijk voor poorterskinderen.

In 1553 volgt een aanvullende keur voor het ‘schellen’ en de ‘derde schaal’. Bij het schellen gaan collectanten met schalen langs de huizen, ze kondigen hun komst aan met een bel. De ‘derde schaal’ is een derde collecte, iedere zondag in de Nieuwe Kerk. De collectanten zijn herkenbaar aan hun uniform: rood en blauw – later zwart. Dit uniform blijft tot 1919 kenmerkend voor de wezen uit het Burgerweeshuis.
Met de keur van 1553 wordt ook een grotere behuizing belooft. In 1558 wordt een huis aan de Kalverstraat  gekocht (nr. 71) met daarachter nog vier woningen die doorlopen tot aan het Rokin. Om de nieuwbouw te betalen wordt een loterij gehouden die 400 gulden opbrengt, voldoende om een goed pand neer te zetten.

In 1566 maakt men melding van een zeer vreemd tafereel: de kinderen ‘werden bevangen van een zo zonderlinge kwaal [...] zij klauterden als katten tegen de muren op [...] spraken zelfs uitheemse talen [...] De schout Pieter Pieterszoon scholden zij, om zijn wanstaltige lengte, uit voor een Deventer koek’
Dit gedrag is waarschijnlijk terug te voeren op moederkorenvergiftiging waarbij stoffen vrijkomen die dichtbij LSD liggen.

In 1570 wordt het Armemeisjeshuis gesticht als toevoeging voor het Weeshuis. Dit particuliere initiatief wordt echter tegengewerkt door het stadsbestuur, waarschijnlijk uit angst voor concurrentie bij het binnenhalen van giften.

Na de Alteratie krijgt het weeshuis de bezittingen van de Heilige Stede, het Karthuizerklooster en het Sint Luciënklooster, gebouwen en landerijen samen. In 1580 verhuisd naar het Sint Luciënklooster. De achter gebleven nonnen betrekken enkele huisjes in de Sint Luciënsteeg. Het voormalig weeshuis wordt verhuurd en gaat dienst doen als herberg.
Dat een klooster niet zomaar als een weeshuis is te gebruiken blijkt uit de lange rij verbouwingen die volgen. Als eerste wordt de ingang voorzien van een pleintje met poort waarbij de blik van de voorbijgangers wordt geleid naar de collectebus met daarboven het gedicht van Vondel.
In 1663 wordt het Weeshuis eigenaar van het naast gelegen Oudemannenhuis. Dit wordt bestemd voor de jongens terwijl de meisjes en jonge kinderen (tot 12 jaar) in het voormalig klooster blijven. Kinderen tot 5 jaar worden eerst ondergebracht bij gezinnen in de stad. Op ieder huis is een binnenmoeder en -vader aanwezig. De Regenten worden Buiten vaders/moeders genoemd en de overige functionarissen heten ook allemaal moeder of vader; zo zijn er de keukenmoeder, de kammoeder (tegen de luizen), en de wolmoeder (die de meisjes handwerken leert). De moeders en vaders zijn in dienst voor het leven bij het bereiken van een hoge leeftijd kunnen ze in het huis blijven wonen met behoud van inkomen. De dagelijkse leiding en  is in handen van de boekhouder, die ook voorzitter is van de regenten vergadering.
De wezen ontvangen onderwijs in hun eigen scholen en gaan daarna in de leer bij een meester of mevrouw. Meisjes krijgen van 12  tot 15 jarige leeftijd brei- en naailes waarna ze tot hun afscheid helpen in de keukens. Jongens gaan vanaf hun 14e in de leer, als leerling worden ze kostenloos lid van het gilde. Bij de beroepskeuze wordt rekening gehouden met afkomst zodat ze na het verlaten van het weeshuis in de ‘eigen’ klasse terugkeren. Ieder jaar op de zogenaamde mei-dag, worden alle wezen uitgezwaaid die het afgelopen jaar 20 zijn geworden. Iedere wees krijgt een uitzet mee, bestaande uit onder andere geld en gereedschappen of materialen om het geleerde vak uit te oefenen. Wie na 15 maanden een bewijs van goed gedrag kan overleggen krijgt nog eens 25 gulden. Als onderdeel van het ritueel worden de wezen uitgezwaaid met de woorden:
Schaamt u nooit te zijn geweest,
een Amsterdamse burgerwees

(Wel op z’n Amsterdams, anders rijmt het niet). Overigens worden wezen alleen uitgezwaaid als er in het eigen levensonderhoud kan worden voorzien. Zo is er sprake van een ‘meisje’ dat op 100-jarige leeftijd in het weeshuis overlijd. Ook na het uitzwaaien blijft men welkom. Mocht de wees het niet redden in de maatschappij dan staat het weeshuis klaar om hen weer terug te nemen.

Amsterdamse weesmeisjes in een gang voor een stadsprofiel van Amsterdam, 1902 - 1964

Door de enorme bevolkingsgroei worden in 1584, 1631 en 1634 de toelatingseisen verhoogd. Wezen moeten zijn geboren uit ouders die beiden reeds 12 jaar poorter zijn ten tijde van het overlijden. Wezen van 9 jaar of ouder worden niet langer opgevangen, later wordt de leeftijd weer verhoogd naar 12 en uiteindelijk kunnen wezen tot 16 jaar terecht.

Het Armemeisjeshuis (nu Maagdenhuis) is in 1620 samen met het Roomsh Catholiek Weesjongenscomptoir de eerste officiële niet protestantse instelling, maar daarna gaat het snel: In 1631 richt de Waalse gemeente een weeshuis op, in 1651 de Engelse Kerk, in 1657 de Gereformeerde Kerk (Diakonieweeshuis), in 1675 de Doopsgezinde gemeente en in 1678 de Evangelische Luthersen. Op de plek van de huidige Stopera wordt ook een Joods weeshuis gebouwd, in de literatuur is hierover vreemd genoeg weinig te vinden.

Ondanks deze groei van weeshuizen blijven er wezen die nergens terecht kunnen, zij komen in het Almoesseniers-huis dat de opdracht krijgt om vondelingen en andere wezen op te vangen. Het aantal kinderen in deze instelling loopt snel op; in 1649 zijn er al 600 In 1665 wordt er een nieuw Aalmoesseniersweeshuis gebouwd op de Prinsengracht (nu Paleis van Justitie). In 1680 wordt dit uitgebreid met een ziekenhuis, en een aanbouw zodat het gebouw groot genoeg is voor 1300 kinderen.
Voor de bekostiging krijgt het Aalmoesseniers-Huis het recht een veelheid van kleine belastingen te heffen; van begrafenisheffingen tot hondenbelasting.

Het Burgerweeshuis blijft ondertussen ook groeien. In 1664, vlak na een grote pestepidemie, wordt onderdak verschaft aan 1000 wezen. Het complex is zeer zelfredzaam, het heeft eigen dokters, koks, schilders, timmerlieden zelfs een eigen brandweer. Door de relatieve geslotenheid en de goede verzorging ontsnapt men grotendeels aan de epidemieën die de stad teisteren. Vanaf de 18e eeuw gaan de zwakkere onder de wezen in de zomer twee maanden naar Zandvoort,  om aan te sterken. Ook dit kuren wordt later in eigen beheer gedaan, men bouwt een sanatorium in Bergen aan Zee nu bekend als het Zeehuis.

De 19e eeuw is een roerige periode voor de weeshuizen. Door het afschaffen van het poorterschap is het onderscheid tussen het Burgerweeshuis en het – veel schameler – Aalmoesseniersweeshuis weggevallen. In 1811 wordt voorgesteld deze twee instellingen samen te voegen. Het Burgerweeshuis kan dit voorkomen door sterk te bezuinigen. Inwoners van Amsterdam kunnen hun kinderen inschrijven voor het Burgerweeshuis, eerst voor vijftig gulden, later voor 1,50. Deze regeling is echter weinig succesvol en het aantal wezen neemt langzaam af.

Het Aalmoesseniersweeshuis telt in 1811 4304 kinderen, drie kinderen in één kribbe en dan nog moeten de kribben boven elkaar worden geplaatst. Het aantal vondelingen loopt op van 20 per jaar in de 18e eeuw naar 855 in 1817. Kenmerkend voor de omstandigheden in dit instituut is de het sterftecijfer onder deze 855, bijna de helft sterft voor het 10e levensjaar.
Uit onderzoek in 1815 blijkt dat van de 342 vondelingen die in 1792 zijn opgenomen er nog maar 64 in leven zijn, nog geen 20%. Van die 64 zijn er 44 maatschappelijk actief, meestal als soldaat of ‘dienstbode tegen een gering loon’.

Door een koninklijk besluit worden in 1820 wezen naar de (later) beruchte veenkoloniën gestuurd. Door af te zien van verdere subsidies plaatst het Burgerweeshuis zich buiten deze regeling, die alleen geldt voor armenzorg die afhankelijk is van rijkssubsidies. Hierbij komen de bezittingen van de voormalige kloosters goed van pas, deze stukken land zorgen voor een inkomen uit pacht en huur.

Het Aalmoesseniersweeshuis gaat in 1828 op in de Inrichting voor Stadsbestedelingen. Ondanks protesten van de Amsterdamse bevolking gaan alle kinderen van het Almoesseniersweeshuis naar Veenhuizen of Ommerschans. Na 1854 als het experiment mislukt is, zoekt men naar andere alternatieven. Directeur F. Beudeker bedenkt een gezinsverplegings regeling. Hierbij worden wezen voornamelijk buiten de stad bij gezinnen ondergebracht waar zij eenmaal per week worden bezocht. De gezinnen worden streng geselecteerd en de regeling wordt contractueel vast gelegd en goed gecontroleerd. Het geheel is een succes.

Het Burgerweeshuis blijft vasthouden aan de oude wijze. Terwijl andere weeshuizen de aanpak van Beudeker volgen en hun wezen in gezinnen onderbrengen, blijven de Burgerwezen binnen de muren en in het uniform.

Tegen het eind van de 19e eeuw worden een aantal kinderwetten aangenomen, gevolgd door de leerplichtwet van 1900. In dat jaar komt er in het Burgerweeshuis ook een eind aan het bestuur van de regenten. Het stadsbestuur benoemd een Commissie voor burgerlijk armenbestuur die verantwoordelijk wordt voor het teruglopende aantal wezen. Die terugloop is vooral te verklaren door de verbeterde gezondheidszorg. Vooral in de 17e eeuw wordt Amsterdam geteisterd door grote epidemieën waarbij ouders sterven en er veel wezen bijkomen.

Jongensplein met kastjes en boom

De typische Burgerwees-uniformen worden in 1919 afgeschaft, en vanaf 1921 geeft het dit weeshuis ook onderdak aan ‘gasthuiskinderen’ die tijdelijk worden opgevangen als moeder in het ziekenhuis ligt.
In 1925 vraagt de gemeenteraad B&W om alle wezen door het zelfde instituut te laten verzorgen. Uiteindelijk komt B&W in 1937 met een voorstel. In 1940 vordert de Duitse bezetter het gebouw van de stadsbestedelingen en verdwijnt het verschil.
In 1955 wordt opdracht gegeven nieuwbouw te ontwerpen aan het IJsbaanpad. In 1960 is dit gebouw gereed en verhuist het burgerweeshuis voor het eerst in 380 jaar naar een nieuwe plek. Er is dan nog maar één Burgerwees, de overige kinderen zijn afkomstig van de Inrichting van Stadsbestedelingen. De instelling veranderd van naam, eerst Sociaal-agogisch centrum en daarna (samen met andere instellingen) Spirit. Op het hoofdkantoor van Spirit worden nog steeds voorwerpen uit het Burgerweeshuis tentoongesteld.

Tussen 1968 en 1975 wordt het voormalige Burgerweeshuis aan de Kalverstraat ingrijpend verbouwd om onderdak te bieden aan het Amsterdams historisch museum, het huidige Amsterdam museum. Vooral aan de buitenzijde van het gebouw zijn nog veel aspecten van het weeshuis bewaard, onder andere de toegangspoorten en het grote jongens- en meisjesplein. Ook de kastjes voor de jongens die buiten een opleiding volgden is er nog, de boom op het plein is in 1898 geplant bij de geboorte van prinses Wilhelmina. Binnen het gebouw is de regentenkamer nog grotendeels intact.

Bronnen:

Het Amsterdams Burger-Weeshuys: een stadje in een stad
Amsterdamse hofjes
Liefde het fundament: 400 jaar Roomsch-Catholyk Oude Armen Kantoor te Amsterdam
Kinderen van Amsterdam: Burgerweeshuis, Aalmoezeniersweeshuis, Diakonieweeshuis, Sociaal-agogisch Centrum
Amsterdam burgerweeshuis
In het Weeshuis: de zorg voor de Burgerwezen van Amsterdam 1580-1960
Sint Antonivuur

Afbeelding:

AHM Collectie online

Tags: ,

Armenzorg vanaf 1795

Geplaatst in Algemeen op februari 4th, 2011 door Tom

19e eeuw

Vanaf de Franse tijd verliest Amsterdam zijn status als onafhankelijk bestuursorgaan, toch blijven particuliere en stedelijke instellingen voor armenzorg tot ver in de 20ste eeuw het belangrijkst.
In 1810 besluit de regering tot een tiëcering van de staatsschuld. Kort gezegt wordt de te betalen rente op de staatsschuld tot een derde teruggebracht. Begrijpelijk als je de economische positie in beschouwing neemt: Na 1715 is 70% (!) van de Hollandse inkomsten nodig om de rente over de staatsschulden te betalen. Helaas worden vooral instellingen van publiek belang getroffen door de tiëcering. Weeshuizen, armenhuizen, kerken en scholen zien een belangrijk deel van hun inkomsten wegvallen. Hierdoor wordt de armoede in Amsterdam goed zichtbaar, een kwart van alle inwoners is armlastig en 1/11 is zelfs noodlijdend (honger/dakloos) vermeld een regeringsrapport uit 1816.
Het is duidelijk dat er maatregelen moeten worden genomen. Koning Willem I neemt hiertoe een initiatief: In 1820 wordt er bij wet bepaald dat wezen, vondelingen, bedelaars en anderen zonder vaste verblijfplaats in zogenaamde veenkoloniën terecht komen. Zo wil men de armen uit de steden op het platteland een nieuw leven geven en opvoeden tot arbeiders en burgers.
Door een combinatie van afgelegenheid, verplichte winkelnering en beleidsfouten mislukt dit maatschappelijk experiment echter.

Beeldbank Stadsarchief Amsterdam

Na de nieuwe grondwet van 1848 volgt in 1854 ook een armenwet, daarin wordt de armenzorg opnieuw bij de kerken en andere particuliere instanties gelegd. In 1870 wordt dit nogmaals bevestigd door te stellen dat armenzorg “niet op de weg van den Staat ligt”. De armoede neemt in de tweede helft van de 19e eeuw zodanig toe dat kerkelijke en particuliere instellingen de toegenomen last niet alleen kunnen dragen. Industrialisatie zorgt voor een trek naar de stad, daar neemt het aantal arbeiders zo toe dat lonen op het laagst mogelijke peil belanden. De combinatie van gebrek aan ontslagbescherming en lage lonen betekenen dat werkeloosheid (nog steeds) gelijk staat aan armoede. Een samenloop van teruglopende landbouwopbrengsten en een oplopende werkeloosheid in de stad leidt na 1883 tot een ongekende toename van de armoede.
Dit leidt tot een voorzichtig begin van het begrip bestaansminimum. In Amsterdam kijkt de armenbedeling na 1894 niet of een persoon al bij een andere instelling wordt bedeeld maar hoeveel men ontvangt en naar de context (aantal kinderen etc.) Op nationaal niveau veranderd er weinig; de socialisten richten zich op verbetering van de arbeidsomstandigheden, de liberalen zien niets in een overheidstaak en de confessionelen vinden dat armenzorg bij de kerk hoort.

20e eeuw

De armenwet van 1912 is leidend, en deze bevestigd de status quo. Eerst zijn ouders en grootouders verantwoordelijk, dan de kerk of andere instellingen. Hierbij gaat men voorbij aan de toegenomen arbeidsmobiliteit waarbij (groot)ouders ver weg kunnen wonen. De gemeentelijke overheid steunt de instellingen voor armenzorg en grijpt pas in als hulp op valse gronden wordt geweigerd.  Armoede is geen economisch probleem maar een sociaal verschijnsel. De zogenaamde verheffing blijft noodzakelijk en afhankelijkheid van de zorg moet worden voorkomen. De uitkering vind plaats in natura of als loon voor werk.
“Geen brood in ledigheid… want de arbeid moet hen sterken:
De Hollandsche arm wete ook voor ‘t Hollandsch brood te werken.”
In de werkverschaffing komen bovenstaande punten samen, tijdens de crisis van de jaren dertig wordt dit middel dan ook ruimschoots ingezet. In Amsterdam wordt het Amsterdamse bos aangelegd. Tegelijkertijd betekend ook dit weer een verandering, de uitkering wordt tenslotte in geld verstrekt, niet in natura.

Door verbeterde gezondheidszorg neemt het aantal ouderen toe, dus ook arme ouderen. In 1913 komt er een invaliditeitswet met een basisinkomen voor iedereen boven de 70 jaar. Overigens blijven velen nog afhankelijk van de armenzorg, het gezegde ‘te weinig om van te leven, te veel om van te sterven’ geeft een indruk van de hoogte van de uitkering. Toch is dit een ommekeer omdat er sprake is van een algemene (dus nationale) uitkering.

Tussen de twee wereldoorlogen ontwikkeld de basisverzekering zich verder. Voor werkelozen zijn er twee uitkeringen: de werkeloosheidsverzekering en de steunregeling. De eerste gaat uit van de vakbeweging en is een onderling fonds, waarin men stort vergelijkbaar met risicodekking in  gildeverband. De steunregeling is wederom een laatste redmiddel. Omdat niet alle arbeiders en beroepsgroepen zijn georganiseerd en/of een fonds hebben is van een algemene regeling geen sprake. Vooral in de jaren dertig hebben grote groepen werkelozen het moeilijk. Door het ontbreken van controle op steun, die bij de armenzorg wél aanwezig is, wordt gevreesd voor ‘arbeidsschuwheid’. Gemeenten harmoniseren onderling het beleid waardoor het idee van bestaansminimum aan kracht wint, al ligt dit bestaansminimum bij het voorkomen van hongersnood.

Beeldbank Stadsarchief Amsterdam

In de tweede wereldoorlog wordt door de geallieerden een aantal sociale grondrechten geformuleerd, in dat kader gaat ook de Nederlandse regering van start met nieuw beleid. De Duitse bezetter voert ondertussen de kinderbijslag en de gezondheidsverzekering in, beide algemeen. De term ‘verzorgingsgedachte’ valt voor het eerst.
Na 1945 neemt de werkgelegenheid toe zodat alleen bejaarden, invaliden en alleenstaande vrouwen een beroep doen op de armenzorg. een stap in de richting van de verzorgingsstaat die er uiteindelijk in 1963 komt met de bijstandswet. Deze wet regelt uiteindelijk het bestaansminimum waar iedereen aanspraak op kan maken. Dat hiermee de armoede niet is uitgebannen blijkt uit de oprichting van de voedselbank in 2002.

Bronnen:

Kinderen van Amsterdam: Burgerweeshuis, Aalmoezeniersweeshuis, Diakonieweeshuis, Sociaal-agogisch Centrum
De Poort: de Oudemanhuispoort en haar gebruikers, 1602-2002
Amsterdamse gasthuizen vanaf de middeleeuwen
Van Pauperzorg tot bestaanszekerheid

Afbeeldingen:

Stadsarchief Amsterdam

Tags: