Armenzorg tot 1795

Geplaatst in Algemeen op januari 30th, 2011 door Tom

De stad en de armoede

De stad is de plek waar armoede zich toont, op het platteland wonen natuurlijk ook armen maar daar is iedereen is ongeveer even arm of anders zijn de verschillen zo groot dat men elkaar nauwelijks tegenkomt. In de stad is armoede zichtbaar, arm en rijk komen elkaar tegen en wonen dicht bij elkaar, zonder betaalde arbeid is men snel arm. De armenzorg is dan ook bij uitstek een stedelijke instelling.

Vanuit een historisch perspectief is het begrip armoede relatief, in de 21e eeuw denken we bij armoede aan weinig bezit, weinig reserve, slecht en weinig eten. Zo bezien leeft het grootste deel van de historische Amsterdammers in armoede.
Anderzijds is men tot in de 20ste eeuw pas arm als men honger heeft en/of fysiek leidt. Opvang wordt geregeld door familie, gilde, buren en de kerk in die volgorde. De armenzorg beperkt zich tot het voorkomen van hongersnood, en dan slechts tijdelijk.
Langdurige armoede wordt gezien als een keuze, ondersteuning leidt tot luiheid. Hieruit volgt het verheffen van de armen, de arme moet worden gestimuleerd, aangespoort en desnoods gestraft als hij niet (letterlijk) meewerkt. Om misbruik te voorkomen komt er controle en registratie.
In tijden van tegenspoed zijn er te weinig middelen, wie wordt bedeeld en wie niet? Men wordt beoordeeld en veroordeeld, dit leidt ook in goede tijden tot uitsluiting. Misdadigers, dronkaards, ongehuwde moeders en andere niet aangepasten worden niet geholpen. Zij proberen te overleven door te bedelen, en te stelen. De roep om verheffing danwel straf klinkt, en zo is de cirkel weer rond.

Onschuldigen

Kinderen, gehandicapten, krankzinnigen en de zeer ouden vormen de uitzondering. Zij zijn de onschuldigen en vallen buiten de standen, middeleeuwse begrippen die  tot in de 19e eeuw de armenzorg verdelen. Er zijn vier standen: de koning, de edelen, de kerk en de rest. Iedereen heeft een door God bepaalde positie en is verantwoordelijk voor de lagere stand. Onschuldigen vallen buiten deze rangorde en zijn niet verantwoordelijk voor zichzelf.
Voor deze onschuldigen ontstaan al vroeg in de Amsterdamse geschiedenis voorzieningen die eeuwen lang blijven bestaan. Omdat deze instellingen hun sporen in de fysieke stad hebben nagelaten worden zij elders apart behandeld, ik beperk mij in dit artikel tot een algemene geschiedenis en de veranderende situatie voor gezinnen en alleenstaanden.

Aalmoezeniers op huisbezoek

Historische ontwikkeling

In de middeleeuwse stad zijn drie gasthuizen die iedereen zonder vaste verblijfplaats verzorgen: varende lieden, landlopers en bedelaars, reizende geestelijken, pelgrims, kinderen, bejaarden en zieken. Alleen de laatste drie groepen kunnen langer dan drie dagen blijven. Alle gasthuizen worden beheerd door de kerk, de stad betaald mee. Het oudste gasthuis bevind zich achter het oude stadhuis aan de Dam (toen nog de Plaets) en wordt voor het eerst genoemd in 1364. Het tweede en derde huis bevinden zich in de Nes en op de Nieuwendijk. In 1422 komt er een vierde gasthuis, tegenover de Heilige Stede, tussen Kalverstraat en Begijnensloot. Overigens worden reizigers en zieken wel gescheiden. Wegens besmettingsgevaar worden er buiten de stad ook een apart pesthuis (WG-terrein) en leprozenhuis (Waterlooplein) gesticht. De gasthuizen gaan zich later steeds meer op zieken richten en veranderen uiteindelijk in ziekenhuizen.

Vanaf ongeveer 1370 worden door de stad ‘vier goede eerzame’ lieden aangewezen die de arme huyssittende luden met geld, eten, turf en soms met inwoning helpen. Het huyssitten is hier te lezen als werkeloosheid. De bedeeling gebeurd eerst vanuit huiszittenkappellen in de kerk(en) en later vanuit hun voorraadhuizen: de Huiszittenhuizen.

Ene Jan Paarslaken stelt ook een aantal huisjes ter beschikking voor gratis kost en inwoning, waarschijnlijk aan ouderen.
Tot de alteratie is de gehele armenzorg een taak van de kerk. Door de verplichting van goede werken krijgt de kerk geld om de armen te verzorgen. Er wordt uitgebreid gecollecteerd (ook buiten de kerkdienst) en er wordt gedoneerd via legaten en giften. Soms met de bepaling dat moet worden gebeden voor het zielenheil van de gever.
Na de reformatie vervalt de verplichting van goede werken. Al snel neemt de stedelijke overheid de armenzorg over. Maar waarom doet zij dat? In de bijbel, de basis van de protestantse leer, wordt de verplichting tot armenzorg zeker genoemd. “Ik was hongerig en u gaf mij te eten” zegt Jezus. Maar Hij spreekt tot het individu, niet over armenzorg als instituut. Waar komt het uitgebreide stelsel van armenzorg, waar Amsterdam in de 18e eeuw beroemd om is, dan vandaan?

Armenzorg en openbare orde

Met de opstand is de bestaande orde radicaal gewijzigd, er is geen koning meer, het gezag van de kerk is ondermijnd, edelen maken niet langer de dienst uit in de Staten. Men heeft behoefte aan orde en ordening. Armenzorg is een goede manier om onrustige elementen in de samenleving te controleren, op hun plaats te brengen en te houden.
Waarom deze controle?
Amsterdam is deels afhankelijk van de Oostzeehandel voor de eerste levensbehoeften. De Amsterdamse handelaren exporteren haring, zuivelproducten en zout naar Duitsland, Polen en de Baltische staten. De retourvracht bestaat vrijwel geheel uit granen, die in de vochtige Hollandse grond nauwelijks willen groeien. Naast brood is ook bier een eerste levensbehoefte omdat het Amsterdamse water vuil is en melk bederfelijk. In de 16e eeuw gaat 80% van het loon van de ongeschoolde arbeider op aan voedsel en drinken. Werkeloosheid betekent honger. Zonder armenzorg liggen onrust en oproer op de loer.
Anderzijds zijn de rijken kwetsbaar. Het moderne bankwezen met papiergeld, rekeningcourant etc. is onbekend. Dat betekend dat rijkdom bezit is, goederen, munten, onroerend goed, etc. Vaak moeilijk te verplaatsen, en gemakkelijk kwijt te raken door oproer.

Er ligt natuurlijk een paradox in dit verhaal: bij economische neergang is men genoodzaakt de toegang tot de armenzorg te beperken terwijl het aantal armen toeneemt. Bij economische groei worden er aanvullende maatregelen genomen etc. Ook na de Fanse tijd, als de wetgeving nationaal niveau wordt bepaald, blijft de economie het beleid beïnvloeden.

De stad is niet de enige die armenzorg verstrekt. Particulieren richten instellingen voor ouderenzorg op (bijvoorbeeld hofjes) overigens vaak om geloofsgenoten te huisvesten. De armenzorg komt zo ook de religeuze tolerantie ten goede: reeds in 1620 wordt de Roomse Armenverzorging als aparte instelling gedoogd en in 1661 officieel toegelaten. Wanneer andere geloofsgemeenschappen voor erkenning aankloppen wordt het onderhouden van de eigen armen dan ook steeds als voorwaarde genoemd. Hierdoor wordt de armenzorg opnieuw een taak van de kerk.

Waar de stad zich bemoeid met armenzorg betreft het de openbare orde. Er worden een rasphuis en een spinhuis gesticht om gezonde bedelaars in op te vangen en aan het werk te zetten. Deze instellingen veranderen echter na verloop van tijd in tuchthuizen waarin misdadigers en prostituees worden opgesloten. Door middel van keuren probeert men het bedelen aan banden te leggen, in 1613 wordt het helmaal verboden. In dat jaar sticht het stadsbestuur het Aalmoesseniers-Huis een instelling speciaal voor de laagste klassen. Een instelling met een brede doelgroep: kinderen opvangen, kwaadaardige ziekten genezen, bedelaars naar het spin- en rasphuis sturen, reizigers zonder geld wegsturen en lijken begrafen.

Uitdeling van brood in het Aalmoezeniershuis

Paleizen voor de armen

Na de reformatie heeft de stad het grote aantal kloosters ingezet om de armenzorg te reorganiseren en huisvesten. Het Burgerweeshuis, Oudemannenhuis, Binnengasthuis, Rasphuis en Huyszittenweduwenhuis krijgen kloosters toegewezen. Daarnaast ontstaat in de 17e eeuwse uitleg ook ruimte voor instellingen, het Diakonie oude-vrouwenhuis (nu Hermitage), en het Aalmoesseniersweeshuis (nu Paleis van Justitie) zijn hier voorbeelden van. Deze grote en goed georganiseerde instellingen krijgen internationale bekendheid en veel (betalende) bezoekers.

Na de vierde Engelse oorlog (1780-1784) gaat het snel bergafwaarts met de economie. Door een combinatie van het wegvallen van de internationale handel en krimp van de interne markt krijgt de economie harde klappen. Door de verlichting en de Franse revolutie zijn de ideeën over armenzorg veranderd. Niet langer is armoede een mogelijkheid om barmhartigheid te tonen, maar een last die moet worden gedragen.

In een volgend artikel ga ik verder met de ontwikkelingen in de armenzorg in de 19e en 20ste eeuw.

Bronnen:

Kinderen van Amsterdam: Burgerweeshuis, Aalmoezeniersweeshuis, Diakonieweeshuis, Sociaal-agogisch Centrum
De Poort: de Oudemanhuispoort en haar gebruikers, 1602-2002
De rijke Republiek: gilden, assuradeurs en armenzorg 1500-1800
Amsterdamse gasthuizen vanaf de middeleeuwen
Van Pauperzorg tot bestaanszekerheid
Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578

Afbeeldingen:

AHM Collectie online

Tags: