Gilde

Geplaatst in Algemeen op december 31st, 2010 door Tom

Verbanden van de midden-stand

Vanaf de vroege middeleeuwen wordt het begrip gilde gebruikt om verschillende organisaties te beschrijven: Broederschap, compagnie, sociëteit, college en gilde worden door elkaar gebruikt. Dit is te verklaren uit de middeleeuwse wetgeving waar de ziel of het individu de norm is, men kent geen rechtspersonen zoals de huidige stichting of vereniging.
Nadeel van het gebrek aan wettelijke status is het onvermogen om leden die zich niet aan de afspraken houden te straffen. De zwaarste straf die een gilde kan opleggen is uitsluiting, zelfs als er sprake is van flinke economische schade. Het gilde kan geen boetes opleggen of goederen confisceren, omdat de middeleeuwse rechtspraak dit niet toelaat. Onderlinge controle is een noodzaak die ook een sociale rol gaat spelen in een stad die groot genoeg is om tot anonimiteit te leiden.
Het gilde kent verschillende verschijningsvormen en voorziet in behoeften op sociaal, economisch en politiek vlak. In steden als Utrecht, Antwerpen en Brugge hebben gilden een belangrijke rol in het stadsbestuur en voorzien als zodanig in de behoefte van inspraak. Binnen Amsterdam zijn gilden nooit tot deze positie gekomen, omdat de stad later is ontstaan dan voornoemde steden. De positie van de burgermeesters voorkomt dat de gilden zoveel macht krijgen.
De behoefte aan vormen van verzekering en risicodekking worden ook in gildeverband vervult. Vooral rijkere gilden hebben een kas voor ondersteuning bij ziekte of overlijden. Als laatste kan een gildelidmaatschap ook status geven, bijvoorbeeld door een fraai gildehuis of -altaar. Toch zijn genoemde zaken nooit het hoofddoel van een gilde. Gilden worden opgericht als vereniging van leden op het gebied van religie, economie of of stadsverdediging. De overeenkomsten vinden we verder in de éénkoppige leiding en poorterschap van gildeleden. Sterker nog binnen Amsterdam moeten alle ambachtslieden Poorter zijn. Binnen Amsterdam ontstaan en groeien gilden samen met de nederzetting.

Ingang gildehuis van het Wijnkopersgilde

De koppeling tussen gilde en poorterschap is geen toeval en gaat terug naar de scheiding tussen stad en platteland die tot 1798 bestaat.
Tot die tijd dankt Amsterdam zijn onafhankelijkheid ten opzichte van hertog en stadhouder aan vier zaken.
1. Wet. Stadsrechten, Keurrecht en andere privileges;
2. Schutterijen. Verdediging van de stad en orde bewaren;
3. Armenzorg;
4. Economische gilden. Zij geven burgers de kans een stabiele middenstand te vormen en nemen een belangrijk deel van het bestuursapparaat voor hun rekening. Als voorbeeld noem ik het Haringpakkersgilde. Dit gilde zorgt voor belasting inning op gezouten haring. De keurmeester, aangesteld door het gilde, controleert de kwaliteit van de haring die in tonnen wordt verpakt. Hij verzegelt de tonnen en garandeert daarmee de kwaliteit en de hoeveelheid. De haring wordt vervolgens via de Oostzee naar bijvoorbeeld Gadansk vervoerd waar men ze verhandelt. Door het zegel kunnen kopers aldaar vertrouwen op de kwaliteit en kwantiteit, hierdoor krijgen handelaren een gegarandeerde prijs. Daardoor blijven de kosten laag en wordt Amsterdam een populaire handelspartner. De Oostzeehandel vormt de basis van de Amsterdamse handel en staat aan de wieg van de gouden eeuw. Op hun beurt gebruiken gilden de verkregen positie om invloed uit te oefenen op het (economische)beleid. Omdat gildeleiders gekozen worden krijgen gildeleden zo op stadsniveau enige inspraak. Welliswaar zeer beperkt en indirect, maar het zelfde geldt voor de moderne kiezer.

De onafhankelijkheid van Amsterdam ten opzichte van de provincie eindigt met de Franse bezetting en het invoeren van de eerste grondwet. Gilden worden daarmee afgeschaft, hoewel dat niet zonder meer gebeurd. Reeds in 1795, vlak na de Franse invasie, worden de eerste pogingen gedaan het gildestelsel op te heffen. Gilden presenteren zich als organisaties van oprechte burgers, de ruggengraat van de samenleving. Daarmee gaan zij voorbij aan de grote verschillen die zijn ontstaan tussen de bevolking in de steden en op het platteland:

  • Grote verschillen in behandeling voor de wet door poorterschap en gildelidmaatschap;
  • Ambachtslieden buiten het gilde vallen zijn buiten het systeem van controle en daardoor worden hun producten voor aanzienlijk lagere prijzen verkocht en verhandeld;
  • Het gildesysteem is sterk plaatsgebonden en past niet in een nationale politiek;
  • De monopolies van gilden passen niet in de opkomende industriële samenleving.

Ingang St. Lucasgilde (schilders) aan de Waag

Hieronder volgt een korte uitleg van religieuze en economische gilden, door hun wezenlijk andere taak verdienen krijgsgilden (schutterijen) een apart artikel.

Religieuze gilden

Tot de Alteratie hebben alle gilden een patroonheilige en soms zelfs een altaar in de kerk. Een beeld van deze heilige wordt meegedragen in één of meer jaarlijkse processies die binnen de stad plaatsvinden.
Daarnaast zijn er een aantal religieuze gilden actief in de stad. Zij hebben een kapel of altaar gewijd aan de patroonheilige en organiseren regelmatig gebedsdiensten (voor overleden) leden. Deze gilden zijn ook verantwoordelijk voor het oprichten van de vier gasthuizen in de stad hiermee tegemoet komend aan de verplichting van goede werken. Met de Alteratie verdwijnen de religieuze aspecten uit het gildeleven. Door de veranderde religieuze denkbeelden is het in gezamenlijk verband bidden voor de zielen van overledenen niet langer nodig, de religieuze gilden worden opgeheven. De stedelijke overheid neemt de zorg voor de gasthuizen over.

Ambachtsgilden

Ambachtsgilden zijn gericht op de stabiliteit van prijs en kwaliteit. Ambachtsgilden zijn monopoliehouder, maar zij gaan hier flexibel mee om. Zo worden er bijvoorbeeld producten van andere gilden verkocht en kunnen ambachtslieden van elders toetreden tot het gilde. Om prijs en kwaliteit stabiel te houden organiseren ambachtsgilden een leerlingstelsel waarbij binnen het gilde het vak wordt geleerd. Na een leertijd van ongeveer 5 jaar bij verschillende meesters kan de leerling toetreden als gezel. Nu kan hij bij een meester in dienst treden tegen een vaste vergoeding. Door het afleggen van een meesterproef krijgt ontstaat de mogelijkheid een eigen bedrijf of winkel te beginnen.
Het gilde zorgt zo voor beperking van het ondernemers risico. Voordeel is een gering aantal aanbieders waardoor een ambachtsman grondstoffen en tijd kan investeren terwijl hij is verzekerd van een goede opbrengst. De afnemers krijgen zo een gegarandeerde kwaliteit.
Nadeel is het wegvallen van de noodzaak tot innovatie. Dit leidt tot een conservatieve instelling waarbij vernieuwers worden geweerd of gedwongen de bestaande methoden te gebruiken. De economische achterstand van Nederland ten opzichte van andere Eest-Europese landen, eind 18e eeuw, is deels veroorzaakt door het verzet tegen industrialisatie van de ambachtsgilden.
Uitsluiting van het gilde betekend dat het ex-lid de naar een andere stad moet verhuizen om zijn ambacht uit te oefenen.

Handelsgilden

Handelsgilden vormen enerzijds bescherming tegen kwaadwillend gezag elders en dienen anderzijds als waarborg voor de afnemer.
Handelaren die samen in een gilde opereren kunnen een bestemming boycotten. Voor het gezag aldaar betekend dit een lager inkomen uit accijnzen en mogelijk tekorten van bepaalde goederen. De afnemers kunnen bij wanprestatie van één gildelid de goederen van een ander gildelid confisqueren. Door de grote afstanden en slechte communicatie is de onderlinge controle bij een handelsgilde lastig, maar voor leden van het gilde betekend uitsluiting het einde van de handelscarrière, vertrouwen staat immers aan de basis van alle handel. Handelsgilden zijn in Amsterdam nooit belangrijk geweest omdat reeds in de 16e eeuw de bestuurselite wordt gevormd door handelaren met nauwe (familie) banden. Deze nauwe banden maken het werken in een formeel gildeverband overbodig.

Gilden van dientstverleners

Onder de noemer dienstverlening valt een grote verscheidenheid aan beroepen, de gilden bestaan bij de gratie van een monopolie op deze diensten, verleend door het stadsbestuur.
De gilden gebruiken dit monopolie om de leden een stabiel inkomen te geven. Gilden in deze categrorie kunnen zeer rijk zijn met veel invloed maar ook bestaan uit dagloners. Twee voorbeelden: het korenmetersgilde en het korendragersgilde. Korenmeters bepalen de hoeveelheid scheppen graan in een betaalde transactie. inhoud van Het Korenmetersgilde bestaat uit lieden die hoogst betrouwbaar en niet omkoopbaar (dus goed betaald) zijn. Het Korendragersgilde bestaat uit dagloners. Dagloners, de naam zegt het al verdienen net genoeg om te leven en hoeven dus veel minder betrouwbaar te zijn. Bij de korenmeters is uitsluiting funest, hij kan hierna alleen nog elders als dagloner (!) aan de slag. Voor een korendrager levert uitsluiting nauwelijks nadeel op, hij is dagloner. Diefstal is dan ook het enige waar een korendrager voor zal worden uitgesloten. De wet straft diestal met het afhakken van een hand. Er bestaan dan ook geen wetten die omkoping bestraffen wel wetten tegen diefstal.

Bronnen:

http://www.iisg.nl/hpw/papers/guilds-prak.pdf
http://eh.net/encyclopedia/article/richardson.guilds
Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578

Tags:

Oudemanhuispoort

Geplaatst in 1602, 1754, Centrum op december 17th, 2010 door Tom

Bejaardenhuis avant la lettre

De Oudemanhuispoort is feitelijk een steeg met aan beide zijden een poort en daartussen ook nog een poortje. De naam komt van het voormalig Oudemanhuis dat zich aan de noordzijde van de steeg bevond. Dit deel van het complex is in 1602 gebouwd in de boomgaard van het Oude nonnenklooster (Sint Mariënveldklooster)

Beeldengroep aan de Kloveniersburgwal

Het Oudemanhuis is één van de voorzieningen die in Amsterdam zijn gesticht voor ouderen zonder kinderen. Een stad als Amsterdam kent meer opvang voor oude lieden, naast de hofjes zijn er zogenaamde proveniershuizen. Dit zijn plaatsen waar de beter gesitueerden zich kunnen inkopen. De echte arme oude lieden (zonder kinderen) zijn aangewezen op burenhulp en de openbare armenzorg. Mocht men zonder onderdak komen dan blijft helaas alleen bedelarij over.

Het Oudemanshuis is met een stichting in 1548 één van de oudste oude lieden huizen. Het is begonnen in de Kalverstraat als Oudemannen- en vrouwengasthuis. De mannen verhuizen als snel naar een gasthuis tegenover de Heilige stede, de plek van het huidige Amsterdam museum. Zoals veel andere stichtingen is dit niet voor de aller armste lieden zoals blijkt uit de bepaling dat men o.a. een goed bed, ruim beddengoed, twee stoelen en gordijnen moest meebrengen.
Om in het huis te kunnen wonen moest men poorter, ouder dan 50, ongehuwd en kinderloos zijn. Zoals gebruikelijk zijn er ook nogal wat bepalingen over gedrag en gehoorzaamheid.
De regenten voeren echter een vrij willekeurig beleid van opname en in de praktijk blijken ook anderen te worden toegelaten. Relaties en invloed spelen hierbij zeker een rol.

Eind 16e eeuw hebben zowel het oudemannenhuis, als het aangrenzende burgerweeshuis ruimte tekort. De oplossing wordt gevonden in een loterij ten behoeven van een nieuw te bouwen oude mannen- en vrouwenhuis.
Deze loterij is een groot succes en nieuwbouw wordt in 1600 gestart. De gebouwen zijn fraai uitgevoerd en gelegen rond een binnenplaats met siertuin en bleekveld. Bezoekers melden de bijzonder luxe uitstraling van dit huis bij de bouw. Bij een gravure van het gebouw valt te lezen: ‘je vraagt je af or er in dit schitterende gebouw koningen wonen? Het is een paleis voor armelui’

Reeds in 1614 wordt het complex als oude mannenhuis aangeduid terwijl er altijd (ook) vrouwen wonen. De maximale bezetting wordt eind 16e eeuw bereikt als er 200 oude mensen wonen, voorzien van kost en inwoning.

In 1754 wordt het huis uitgebreid verbouwd dan worden ook de poorten aan de beide zijden toegevoegd. De binnenpoort en de poort aan de zijde van de Kloveniersburgwal zijn ontworpen door Abraham van der Hart, stadsbouwmeester. Het beeldhouwwerk is van Anthonie Ziesenis. Het is een voorstelling van de Mildheid met de hoorn der overvloed, het boek der wijsheid en de lamp van inzicht. Geflankeerd door armoede en ouderdom. De poort aan de Oudezijds achterburgwal, is versiert met een bril als het symbool van ouderdom.

Oudemanhuispoort - Oudezijdsachterburgwal

Doordat de boeken verloren zijn gegaan is de financiële gang van zaken niet geheel duidelijk. Uit verzoeken aan de burgemeesters blijkt echter een bijna permanent begrotingstekort. Door de economisch zware tijden wordt het huis in 1800 proveniershuis. De bedragen die men betaald lopen uiteen van 600 tot 2000 gulden. Door deze voorwaarden loopt het aantal bewoners snel terug. In 1831 wonen dan nog maar ‘een dertigtal’ oude lieden. Veel rust krijgen deze lieden echter niet van hun geld; rond deze tijd zoekt het stadsbestuur namelijk een plek voor het verplegen van de verwachte slachtoffers van van de cholera. Die ziekte verspreid zich vanuit het zuiden van Europa. Omdat het complex goed is af te zonderen van de rest van de stad kiest men voor het Oudemanhuis. De epidemie is minder heftig dan gevreesd want kort daarna wordt ook het museum Van der Hoop in het gebouw gevestigd. Wat er met de oude lieden gebeurd is niet bekend, zeker is dat zij niet terug kere. Delen van het huis worden ook gebruikt als hulphospitaal door het naast gelegen binnengasthuis en vanaf 1836 tot 1875 wordt het complex ook nog gebruikt door de Academie voor beeldende kunsten. Met als voorwaarde dat het complex ontruimd wordt als er een cholera epidemie dreigt. Het moge duidelijk zijn dat dit voor de nodige vrijving zorgt.
Vanaf 1877 krijgt Amsterdam een officiële universiteit. De Universiteit van Amsterdam wordt gevestigd in het Oudemanhuis en maakt daar tot op heden gebruik van. Ook de boekverkopers binnen de poort zijn al lange tijd actief, reeds 125 jaar geleden waren er boekwinkeltjes gevestigd.

Bronnen:
De Poort: de Oudemanhuispoort en haar gebruikers, 1602-2002
Het Amsterdams beeldenboek: vier eeuwen buitenbeelden (1600-heden)
Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578
Geschiedenis van Amsterdam, Deel II-1. Centrum van de wereld 1578-1650

Tags: , , ,

Hofje van Brienen

Geplaatst in 1806, Centrum op december 3rd, 2010 door Tom

Of: de geschiedenis van Van Brienens gesticht ‘De Star’

Het verhaal gaat dat Arnold Jan van Brienen bezig was in een kluis in zijn kelder toen de zware kluisdeur dichtviel. Zijn (schijnbaar erg luide) gebed tot verlossing werd enige uren later verhoord, en zijn huisgenoten wisten hem te bevrijden. Uit dankbaarheid besloot hij een hofje te bouwen. Als een van de weinige hofjes in de stad is Van Brienens gesticht de Star gesticht bij het leven van de stichters Arnoud Jan van Brienen (1735-1804) en Sophia Maria (van) Half-Wassenaer (1727-1802).

Versiering boven de hoofdingang

Het hofje is gebouwd op het terrein van Brouwerij de Star en heet officieel dan ook ‘Van Brienens hofje De Star’. De brouwerij is in 1692 gestart op drie percelen aan de Prinsengracht plus de achterliggende percelen. Later koopt de brouwerij ook nog de percelen aan beide zijden. In 1795 koopt Van Brienen deze grond op een veiling en twee jaar later geeft hij opdracht aan Abraham van der Hart om een hofje te ontwerpen. Zij kennen elkaar omdat Van der Hart in 1784 een gebouw heeft ontworpen voor het R.C. Maagdenhuis, waar Van Brienen regent is.

Door slechte economische omstandigheden na de stichting van stichting van de Bataafse republiek (1795) wordt start van de bouw uitgesteld tot 1803. De eerste bewoners komen in 1806, Rooms katholieke minvermogenden die anders tot armoede zouden vervallen. Het hofje is bedoeld voor mannen, maar vanaf het begin zijn ook echtparen en alleenstaande vrouwen welkom. Omdat mannen niet in staat worden geacht een huishouden te voeren worden weduwnaars zelfs van het hofje verwijderd, met als gevolg dat er soms alleen vrouwen op het hofje wonen.

Van de buitenzijde oogt het hofje streng met een hoge blinde muur, en alleen rond de hoofdingang enige versiering. Bij de bouw is ook de binnenplaats streng verdeeld in vier bleekvelden maar vanaf de jaren dertig van de 20ste eeuw komen er tuin elementen die leiden tot het huidige, vriendelijke karakter. De Regentenkamer, de kapel en de portierswoning zijn aan de voorzijde gevestigd. De zijbeuken zijn voor echtparen en alleen wonende mannen, de kleinere woninkjes aan de achterkant vormen het weduwenhof. Boven de woningen zijn tot 1886 graanzolders die worden verhuurd om de kosten van bedeling te dekken. Door teruglopende inkomsten uit verhuur van de zolders besluit men deze te verbouwen tot woningen.

Het beheer en onderhoud is in handen van de portier(ster). De portier huurt werklieden in voor reparaties en klein onderhoud en verzorgt de schoonmaak van de voorzijde, hij houdt ook toezicht op het komen en gaan van bewoners en controleert de schoonmaak van de binnenplaats en de woningen. De portier is ook verantwoordelijk voor het openen en sluiten van de poorten en mag de sleutel onder geen beding afgeven.

Eerst worden de kosten voor onderhoud en bedeling betaald door de Van Brienens. Vanaf 1839 wordt het hofje ondergebracht in een stichting door Arnold Willem van Brienen kleinzoon van de stichters. Er komt een College van drie Regenten en de afstand tussen hofje en regenten neemt steeds meer toe. Zo wordt de portier belast met het op de hoogte stellen van het overlijden van een bewoner, zodat de regenten een nieuwe kunnen kiezen. De administrateur is de feitelijke bestuurder die opereert namens de regenten. Hoe groot het vertrouwen is blijkt uit het feit dat vader, zoon en kleinzoon Westerwoudt samen 85 jaar lang deze functie vervullen. In 1954 wordt de administrateur zelfs gemachtigt nieuwe regenten te benoemen. Verschillende leden van de familie Van Brienen zorgen in eerste instantie voor een gezonde financiële situatie. Omdat het vermogen in staatsobligaties is belegd komen de verschillende geldontwaardingen in de eerste helft van de 20e eeuw hard aan. De bedeling wordt na 1940 zeer moeilijk en in 1948 zelfs geheel gestopt. Vanaf 1951 wordt aan bewoners een bijdrage in het onderhoud gevraagd. Aanvankelijk 2,50 per maand, loopt dit in 1976 op tot 65,- per maand en in 1986 220,- per maand. Dan wordt het ook formeel huur en kan huursubsidie worden aangevraagd.

1816 -

Beeldbank Stadsarchief - Gerrit Lambrets

De moderne tijd gaat niet voorbij aan het hofje, hoewel sommige dingen ook hardnekkig het zelfde blijven. Reeds in 1890 wordt er een duinwaterleiding aangelegd .Ondertussen wonen er geen echtparen meer op het hof, met het samenvoegen twee kamertjes worden een paar woningen uitgebreid.In 1961 worden de zeer kleine huisjes verbouwd maar niet vergroot, de bedsteden worden verwijderd en bewoners krijgen een inpandig toilet. In 1972 wordt er opnieuw verbouwd, de woningen worden vergroot en gaan van 40 naar 21.
De grote veranderingen komen echter van de bewoners zelf: in 1956 komt er een breed gesteund verzoek tot verruiming van de openingstijden. Hoewel ook de portier klaagt dat hij ‘s avonds laat het bed uit moet om de poort te openen, krijgen bewoners pas in 1976 een eigen sleutel. In 1991 ontstaat onder leiding van de portierster een bewonerscommissie, die contacten gaat onderhouden met de regenten.

Bestuurlijk ontstaat van 1984 een samenwerking met het R.C. Maagdenhuis. De financiële situatie is dan nijpend terwijl er een aantal structurele bouwkundige problemen zijn. De voorgaande renovaties zijn wegens geldgebrek niet ingrijpend genoeg geweest, er zijn problemen met vocht in de souterrains, tocht in de woningen en een gammele gang op zolder. De dunne muren zijn gehorig en het sanitair is sterk verouderd. De enige oplossing is een ingrijpende renovatie. Die wordt geschat op 5 miljoen, men krijgt uit monumentenzorg 2 miljoen maar verder is het geld op. De oplossing komt in de vorm van van woningbouwvereniging Het Oosten. Die krijgt het hofje in 1995 in eigendom en start in dat zelfde jaar met een verbouwing die 14 maanden duurt.
Geen van de oude bewoners keert na renovatie terug zodat kan worden gesproken van een nieuwe start in 1997.

Het hofje wordt nu bewoond door dames en heren ouder dan 50 en is iedere werkdag geopend van 6.00 tot 18.00 en op zaterdag van 06.00 tot 14.00
Zoals altijd bij bezoek: respecteer de rust op het hof en de privacy van bewoners.

Bron:

Hofje van Brienen, twee eeuwen Amsterdams hofjesleven

Tags: