Poorter
Om het poorterschap te begrijpen, moeten we terug naar 1300, wanneer Amsterdam stadsrechten krijgt. Belangrijke aspecten van die stadsrechten zijn de rechtspraak, het eigen stadsbestuur en het recht om een Keur op te stellen. Vanaf het moment dat er stadsrechten worden verleend aan een stad, wordt er onderscheid gemaakt tussen zij die daar wonen (poorters) en zij die later komen (ingezetenen). Amsterdamse poorters worden binnen de stad berecht, kiezen het stadsbestuur en zijn vrijgesteld van tolbetaling binnen Holland.
Er zijn drie manieren om poorter te worden: door geboorte, door huwelijk (dit geldt alleen voor mannen) of door zich in te kopen als poorter. In de loop van de 15e eeuw moet men een poorterseed afleggen bij het inkopen en het huwelijk.
Plichten van een poorter zijn belasting betalen en wacht lopen ter verdediging van de stad. Later gelden deze plichten ook voor ingezetenen zonder dat zij de privileges genieten. Die privileges worden steeds uitgebreider: onder andere lidmaatschap van een gilde, toegang tot voorzieningen, kans op een baan bij het stadsbestuur en ook status. Dit leidt ertoe dat vanaf 1650 zelfs vijftig gulden wordt gevraagd om het poorterschap te kopen, een half jaarsalaris voor een ambachtsman.
Het poorterschap blijft bestaan tot 1798 als de Fransen met de eerste grondwet de juridische verschillen tussen stad en platteland opheffen.
Bronnen:
Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578
Geschiedenis van Amsterdam, Deel II-1. Centrum van de wereld 1578-1650
Geschiedenis van Amsterdam, Deel II-2. Zelfbewuste stadstaat 1650-1813
Geschiedenis van Amsterdam, Deel III. Hoofdstad in aanbouw 1813-1900