Immigranten eind 19e eeuw

Geplaatst in Uncategorized op april 17th, 2011 door Tom

Immigratie heeft de gemoederen de laatste decennia flink beziggehouden. De voorstellen om de Hollandse cultuur te beschermen tonen helaas een gebrek aan historisch besef. Ruim een  eeuw geleden werd Amsterdam ook al overspoeld door immigranten. De stad groeide in enkele decennia van 230.000 naar 510.000 inwoners.

De immigranten kwamen van het platteland en hadden de baantjes voor het oprapen. Pas later ontdekte men de verschillen in waarden en normen met deze veelal ongeschoolde arbeiders. Eigen verenigingen waren toen al opgericht, natuurlijk toegejuicht door de grachtengordelpers. Ook toen hadden deze verenigingen als doel het in standhouden van de eigen cultuur en taal. Men was trots op de eigen identiteit. Sterker nog er verschenen advertenties met kortingen als men in ‘eigen’ winkels kocht! Je kunt het nalezen in een een boekje van zo’n tot politiecommissaris opgeklommen allochtoon. Daarin verteld hij ongegeneerd over de blijdschap als hij zich weer eens in het Fries kon uitdrukken.

Ja, zo’n vreemde cultuur moet je altijd in de gaten houden. Voor je het weet worden de typisch Hollandse aspecten weggevaagd!

Bron: Ons Amsterdam 52ste jaargang, nummer 11

 

Een korte geschiedenis van de binnenstad

Geplaatst in 20e eeuw, Centrum op april 9th, 2011 door Tom

Na de Tweede wereldoorlog was het oostelijk deel van de oude binnenstad grotendeels verlaten, hier hadden de joden gewoond. De meesten kwamen niet terug, en bovendien waren hun huizen gestript bij de zoektocht naar brandstof tijdens de hongerwinter. De wederopbouw gaf bewoners van de binnenstad een auto, een wasmachine en vrije tijd maar geen parkeerplaats, tuin of doorzonwoning. De oplossing werd gevonden in de slaapstad; Purmerend groeide met een factor honderd, Almere werd in 1976 opgericht.

De binnenstad liep verder leeg, dat werd bestreden met het ontsluiten van die stad. Hiervoor moest weliswaar het oostelijk deel worden opgeofferd, maar het luxer westelijke deel kon worden gered. Er werd begonnen met de aanleg van een vierbaans straat terwijl de eerste metro de buitenwijken in groef. Beide botsten op de Nieuwmarkt.

Daar waren twee geheel verschillende groepen neergestreken. Aangetrokken door de stank van rotte funderingen. Enerzijds de speculanten op stijgende grondprijzen, anderzijds links radicalen met een anarchistisch ideaal, gratis wonen!
Krakers, achtergebleven bewoners en liefhebbers van historisch erfgoed sloegen de handen ineen. Zij boden verzet tegen de sloop en beschuldigden de gemeente van samenzweren met de vastgoed jongens.
Die gemeente, bestaande uit de vorige generatie links radicalen, was bezig met de uitvoering van het socialistisch ideaal: iedereen een auto en een huis met een tuintje. Helaas, dat ideaal had Jan met de Pet reeds in Almere en Purmerend gevonden.
Omdat hippies geen pr-adviseurs inhuren – ja maar, wij zijn ook tegen het groot-kapitaal, echt! – verloor de gemeente de strijd.

De autoweg werd afgebogen, en meer metro’s kwamen er (voorlopig) niet. De krakers gingen huren, en dertig jaar later worden zij op hun beurt beschuldigd. Zij duwen de rest van Nederland (lees Almere en Purmerend) hun linkse ideeën door de strot. Een weerwoord – ja maar, wij zijn tégen dwang, echt! – is er ook nu niet.

Berlage en Cruijf

Geplaatst in Algemeen op maart 31st, 2011 door Tom

Voetbal en Architectuur: iedereen heeft er een mening over, en allemaal weten we hoe het beter moet. Berlage en Cruijf: mannen die met grote invloed op de generaties na hen.

Berlage is vooral bekend door zijn Beurs. Een gebouw in neoclassicistische stijl, evenals de Bijenkorf en het CS. De Beurs spreekt door haar simpelheid in lijnen en wanden, een tijdloos ontwerp. Naast bouwmeester was Berlage actief als stedenbouwkundige, theoreticus en leraar. Zijn invloed is zichtbaar in architectuur tot ver na de Tweede Wereldoorlog. Liefhebbers zien de overeenkomsten met Cruijf. Berlage wordt in Amsterdam reeds op velerlei wijze geëerd. Met de door hem ontworpen brug; een standbeeld; het Berlage Lyceum. Allemaal binnen Plan Zuid, zijn schepping. Er is ook nog een klein hofje in Slotermeer, een beetje achteraf. Na zijn dood zal er wel een grootse Johan Cruijflaan komen, een sportcomplex, en een tribune in de ArenA.

En als men over 100 jaar door dat wijkje fietst wie kent die naam dan nog? De Beurs blijft bekend, Plan Zuid ook. In de keuze tussen cultuur en Cultuur is het goed om stil te staan bij eeuwigheidswaarde. Een waarde die zich niet makkelijk in geld laat uitdrukken.

Beurs van Berlage - Beeldbank Stadsarchief

Beurs van Berlage - Beeldbank Stadsarchief

Bronnen: Hendrik Petrus Berlage: een bouwmeester in beeld

Foto: Beeldbank Stadsarchief

De Woningwet

Geplaatst in 1901 op maart 4th, 2011 door Tom

110 jaar invloed op de woningbouw

De woningwet heeft aan de basis gestaan van veel zaken die wij nu als vanzelfsprekend ervaren: Ruimtelijke ordening, gescheiden slaapkamers, aparte woon- en slaapvertrekken, allen zijn beïnvloed door deze wet. Bij de uitbreidingen van de laatste eeuw is de wet als geen ander gezichtsbepalend geweest voor zowel de vorm van de straat als die van de woningen.

Geschiedenis van de bouwverordening

Vanaf de middeleeuwen zijn er in Amsterdam keuren die huizenbouw regelen. In 1531 is er een bouwverordening met daarin zaken als muurdikte, rooilijn, materiaalgebruik, boetes en de keuring voor- en achteraf. De buitenkant van de huizen wordt zo al vroeg gereguleerd, maar de binnenkant blijft achter. Ook zaken als het aantal inwoners, onderhoud, inrichting en bijgebouwen vallen buiten de gemeentelijke zorg.
Er gebeurd er wat er altijd in de stad gebeurd; men zorgt ervoor dat er geen ongelukken gebeuren, geen misdrijven worden gepleegd en geen overlast wordt veroorzaakt. Een  bouwverordening uit 1565 blijft met wat aanpassingen, tot 1905 in gebruik. Alleen inzake fundering en vestiging van bedrijfjes worden er aanvullende keuren opgesteld.
Zo blijft Amsterdam 350 jaar lang met min of meer de zelfde regels bouwen.

Beeldbank Stadsarchief

De holen der mensen…

Door verschillende elkaar versterkende factoren wordt de woonsituatie in de loop van de 19de eeuw onhoudbaar.
- Veel huizen in de stad zijn verkrot, het resultaat van ruim een eeuw economische recessie;
- Als gevolg van industrialisering en het aantrekken van de handel, kent de stad een forse bevolkingsgroei, met als gevolg woningnood;
- De stad is voor het laatst in de 17e eeuw uitgebreid, met een snel groeiende bevolking  stijgen ook de grondprijzen. Nieuwbouw is alleen mogelijk voor de beter gesitueerden.

Het aantal kelderwoningen neemt toe, gezinnen wonen in één kamer met een bedstede of alkoof als slaapruimte.
In 1855 verschijnt een rijksrapport waarin staat: “De holen der mensen – en anders mogen wij de woningen van velen uit de min gegoede stand niet noemen – staan niet zelden ten achter bij de plaatsen, die ten verblijve voor vele dieren zijn afgezonderd”
In 1873 verschijnt een gemeentelijk rapport over de woonomstandigheden: de stad telt 4935 kelderwoningen waarvan er 3650 onbewoonbaar zijn. Ruim 1000 kelderwoningen zijn lager dan 1,60m.
Er worden verschillende initiatieven ontplooid om de woonomstandigheden te verbeteren: Al In 1851 is de eerste woningbouwvereniging opgericht. Het gemeentebestuur maakt plannen voor uitbreiding maar die lopen vast op de onteigening. Voor iedere onteigening moet de tweede kamer toestemming geven, die is in meerderheid liberaal en tegen overheidsinmenging. Bovendien stijgen de grondprijzen in de aangewezen gebieden na het bekend worden van de plannen.

Desondanks worden tussen 1870 en 1900 in de Pijp, Kinkerbuurt en Dapperbuurt 24.000 voor- en achter woningen gebouwd. Om te voldoen aan de vraag en als compensatie voor de gestegen grondprijzen zijn de woningen zo goedkoop mogelijk gebouwd. In de meeste woningen ontbreekt een aparte keuken en de slaapruimte is een alkoof tussen de voor- en achter woning. Zie bouwtekening hieronder. Deze toont een pand aan de Ferdinand Bolstraat met twee woningen per verdieping, met een alkoof tegen de tussenmuur. Zelfs woningbouwverenigingen zien zich gedwongen om kleine woningen, rug aan rug te bouwen anders wordt de huur te hoog. Desondanks worden de meeste woningen verhuurd aan de snel groeiende middenklasse en blijven de krotwoningen bewoond.

De Wet

Ondanks tegenstand vanuit de tweede kamer wordt in 1901 de woningwet aangenomen. De wet bied voornamelijk een kader voor gemeenten en is daardoor later gemakkelijk aan te passen. 100 jaar later zijn grote delen van de wet zijn nog steeds in gebruik. Sommige onderdelen, zoals ruimtelijke ordening, hebben tot een heel nieuw stelsel van wetten geleid.
De inhoud in grote lijnen:

  1. Gemeenten worden verplicht een bouwverordening opstellen met daarin regels voor kwaliteit van nieuwe woningen. In de bouwverordening moeten aantal zaken worden vastgelegd waaronder: rooilijnen, hoogte van huizen, afmetingen van vertrekken, trappenhuizen, privaten, drinkwatervoorziening en de toevoer van licht en lucht;
  2. Er worden verplichtingen aan verhuurders gesteld omtrent het aantal bewoners;
  3. Procedures rondom onbewoonbaarverklaring, ontruiming en afbraak van bestaande woningen;
  4. Maatregelen rondom het vereenvoudigen van onteigeningen ten behoeve van volkshuisvesting;
  5. Gemeenten kunnen overheidsgeld aan niet commerciële woningbouwverenigingen geven voor volkshuisvesting;
  6. Recht van gemeente op leningen (in vijftig jaar terug te betalen) voor bemiddeling in de volkshuisvesting.

Gelijk met de Woningwet komt er ook een Gezondheidswet – deze voorziet in preventieve controle op woningontwerpen.
In 1905 komt Amsterdam als eerste stad met een bouwverordening. Door de verplichting om in alle kamers een verbinding met de buitenlucht te maken verdwijnen alkoof en bedstee uit de stad.

In 1908/1909 worden de eerste woningwetwoningen gebouwd in de Van Beuningenstraat.
Tot de eerste wereldoorlog wordt er weinig gebruikgemaakt van de mogelijkheid tot lenen, ook omdat er veel private bouwondernemingen actief zijn. Tijdens de eerste wereldoorlog verdriedubbelen de grondstofprijzen en komt de private bouw stil te liggen. Na de oorlog is de woningnood tot ongekende hoogte gestegen. De eisen tot kostendekkend bouwen worden opgeschort en woningbouwverenigingen nemen het initiatief ook de gemeente leent 15.000.000,- voor bouw door het eigen woningbedrijf.
In 1920 komt de Woningnoodwet tot stand die particuliere bouw subsidieert. Door de enorme toeloop wordt de wet in 1923 alweer afgeschaft. Premies gelden niet voor winkels waardoor grote blokken met alleen woningen worden gebouwd (Hoofdweg, Vrijheidslaan en Insulindeweg). De Woningnoodwet leidt ook tot bouw van eengezinswoningen, eerst noodwoningen geheten, in Noord en Oost.
Binnen de gemeente worden de dienst Publieke Werken, Bouw en Woningtoezicht en het Woningbedrijf steeds belangrijker. De mogelijkheden die de gezondheidswet biedt worden ten volle benut, naast bouw- en woningtoezicht komt er ook een schoonheidscommissie die toeziet op architectonische kwaliteit.
De gemeentelijke bouwverordening evolueert en al snel worden naast kwaliteitseisen ook de breedte van de straten, het maken van een uitbreidingsplan en onteigening meegenomen. De gemeente denkt na over stedenbouw, een geheel nieuw concept. Architecten worden ingezet om woningen te ontwerpen en in samenspraak met ambtenaren de nieuwe wijken vorm te geven.

Beeldbank Stadsarchief

Architectuur

De invloed van de wet op de architectuur is indirect, de wet richt zich immers op het verbeteren van de kwaliteit. Toch gaan architecten zich ook bezighouden met huizenbouw, gestimuleerd door woningbouwverenigingen, de gemeente en het socialistisch gedachtegoed.
De architecten Van der Pek, Berlage, Kromhout en Bazel hebben in de 19de eeuw het fundament gelegd voor het ontwerp van een goede woning, volgens socialistische idealen. Zij formuleren een pakket van eisen:

  • Geen woonvertrekken zonder directe verbinding met de buitenlucht;
  • Scheiding van het woonvertrek en de keuken (was!);
  • Voor- en achterzijde van de woning aan de buitenlucht, geen voor- en achterwoningen;
  • Iedere woning is eigen eenheid, met eigen ingang en alle kamers achter de voordeur (dus geen vertrekken op de gezamelijke gang);
  • Iedere woning heeft een eigen privaat (wc);
  • Scheiding van de woon- en slaapvertrekken.

Deze eisen vinden we terug in de bouwverordeningen van de gemeente, vervolgens architecten  weer betrekt bij stedebouw.
Hierdoor komt een volgende generatie architecten op die de stedebouwkundige plannen vult met expressionistische vormen om te komen tot verheffing van de arbeider. Hun architectuur staat bekend als de Amsterdamse school.

Bronnen:

De woningwet, 1902-1929: gedenkboek …
Handleiding voor Woningbouw Vereeningingen
6,5 miljoen woningen: 100 jaar en woningwet en wooncultuur in Nederland

Afbeeldingen:

Beeldbank Stadsarchief Amsterdam

Tags:

Burgerweeshuis

Geplaatst in Centrum op februari 18th, 2011 door Tom

450 jaar zorg voor weeskinderen

Met het stichten van de stad wordt het zorgen voor de onschuldigen genoemd als een van de taken van de raden (de latere burgemeesters).
In 1466 wordt de weeskamer opgericht, deze verzorgt vooral het beheer van geld en goederen van vermogende wezen, rond 1520 wordt dit overgenomen door het Weeshuis (later Burgerweeshuis).

Dit weeshuis wordt gesticht op de hoek van de Kalverstraat en de Sint Luciënsteeg ter hoogte van het huidige nr. 59. De stichting is toegeschreven aan Haesje Claes maar dat lijkt een abuis.
De organisatie van het Burgerweeshuis wordt vastgelegd in een keur van 1523. Zoals gebruikelijk bij openbare voorzieningen is het weeshuis alleen toegankelijk voor poorterskinderen.

In 1553 volgt een aanvullende keur voor het ‘schellen’ en de ‘derde schaal’. Bij het schellen gaan collectanten met schalen langs de huizen, ze kondigen hun komst aan met een bel. De ‘derde schaal’ is een derde collecte, iedere zondag in de Nieuwe Kerk. De collectanten zijn herkenbaar aan hun uniform: rood en blauw – later zwart. Dit uniform blijft tot 1919 kenmerkend voor de wezen uit het Burgerweeshuis.
Met de keur van 1553 wordt ook een grotere behuizing belooft. In 1558 wordt een huis aan de Kalverstraat  gekocht (nr. 71) met daarachter nog vier woningen die doorlopen tot aan het Rokin. Om de nieuwbouw te betalen wordt een loterij gehouden die 400 gulden opbrengt, voldoende om een goed pand neer te zetten.

In 1566 maakt men melding van een zeer vreemd tafereel: de kinderen ‘werden bevangen van een zo zonderlinge kwaal [...] zij klauterden als katten tegen de muren op [...] spraken zelfs uitheemse talen [...] De schout Pieter Pieterszoon scholden zij, om zijn wanstaltige lengte, uit voor een Deventer koek’
Dit gedrag is waarschijnlijk terug te voeren op moederkorenvergiftiging waarbij stoffen vrijkomen die dichtbij LSD liggen.

In 1570 wordt het Armemeisjeshuis gesticht als toevoeging voor het Weeshuis. Dit particuliere initiatief wordt echter tegengewerkt door het stadsbestuur, waarschijnlijk uit angst voor concurrentie bij het binnenhalen van giften.

Na de Alteratie krijgt het weeshuis de bezittingen van de Heilige Stede, het Karthuizerklooster en het Sint Luciënklooster, gebouwen en landerijen samen. In 1580 verhuisd naar het Sint Luciënklooster. De achter gebleven nonnen betrekken enkele huisjes in de Sint Luciënsteeg. Het voormalig weeshuis wordt verhuurd en gaat dienst doen als herberg.
Dat een klooster niet zomaar als een weeshuis is te gebruiken blijkt uit de lange rij verbouwingen die volgen. Als eerste wordt de ingang voorzien van een pleintje met poort waarbij de blik van de voorbijgangers wordt geleid naar de collectebus met daarboven het gedicht van Vondel.
In 1663 wordt het Weeshuis eigenaar van het naast gelegen Oudemannenhuis. Dit wordt bestemd voor de jongens terwijl de meisjes en jonge kinderen (tot 12 jaar) in het voormalig klooster blijven. Kinderen tot 5 jaar worden eerst ondergebracht bij gezinnen in de stad. Op ieder huis is een binnenmoeder en -vader aanwezig. De Regenten worden Buiten vaders/moeders genoemd en de overige functionarissen heten ook allemaal moeder of vader; zo zijn er de keukenmoeder, de kammoeder (tegen de luizen), en de wolmoeder (die de meisjes handwerken leert). De moeders en vaders zijn in dienst voor het leven bij het bereiken van een hoge leeftijd kunnen ze in het huis blijven wonen met behoud van inkomen. De dagelijkse leiding en  is in handen van de boekhouder, die ook voorzitter is van de regenten vergadering.
De wezen ontvangen onderwijs in hun eigen scholen en gaan daarna in de leer bij een meester of mevrouw. Meisjes krijgen van 12  tot 15 jarige leeftijd brei- en naailes waarna ze tot hun afscheid helpen in de keukens. Jongens gaan vanaf hun 14e in de leer, als leerling worden ze kostenloos lid van het gilde. Bij de beroepskeuze wordt rekening gehouden met afkomst zodat ze na het verlaten van het weeshuis in de ‘eigen’ klasse terugkeren. Ieder jaar op de zogenaamde mei-dag, worden alle wezen uitgezwaaid die het afgelopen jaar 20 zijn geworden. Iedere wees krijgt een uitzet mee, bestaande uit onder andere geld en gereedschappen of materialen om het geleerde vak uit te oefenen. Wie na 15 maanden een bewijs van goed gedrag kan overleggen krijgt nog eens 25 gulden. Als onderdeel van het ritueel worden de wezen uitgezwaaid met de woorden:
Schaamt u nooit te zijn geweest,
een Amsterdamse burgerwees

(Wel op z’n Amsterdams, anders rijmt het niet). Overigens worden wezen alleen uitgezwaaid als er in het eigen levensonderhoud kan worden voorzien. Zo is er sprake van een ‘meisje’ dat op 100-jarige leeftijd in het weeshuis overlijd. Ook na het uitzwaaien blijft men welkom. Mocht de wees het niet redden in de maatschappij dan staat het weeshuis klaar om hen weer terug te nemen.

Amsterdamse weesmeisjes in een gang voor een stadsprofiel van Amsterdam, 1902 - 1964

Door de enorme bevolkingsgroei worden in 1584, 1631 en 1634 de toelatingseisen verhoogd. Wezen moeten zijn geboren uit ouders die beiden reeds 12 jaar poorter zijn ten tijde van het overlijden. Wezen van 9 jaar of ouder worden niet langer opgevangen, later wordt de leeftijd weer verhoogd naar 12 en uiteindelijk kunnen wezen tot 16 jaar terecht.

Het Armemeisjeshuis (nu Maagdenhuis) is in 1620 samen met het Roomsh Catholiek Weesjongenscomptoir de eerste officiële niet protestantse instelling, maar daarna gaat het snel: In 1631 richt de Waalse gemeente een weeshuis op, in 1651 de Engelse Kerk, in 1657 de Gereformeerde Kerk (Diakonieweeshuis), in 1675 de Doopsgezinde gemeente en in 1678 de Evangelische Luthersen. Op de plek van de huidige Stopera wordt ook een Joods weeshuis gebouwd, in de literatuur is hierover vreemd genoeg weinig te vinden.

Ondanks deze groei van weeshuizen blijven er wezen die nergens terecht kunnen, zij komen in het Almoesseniers-huis dat de opdracht krijgt om vondelingen en andere wezen op te vangen. Het aantal kinderen in deze instelling loopt snel op; in 1649 zijn er al 600 In 1665 wordt er een nieuw Aalmoesseniersweeshuis gebouwd op de Prinsengracht (nu Paleis van Justitie). In 1680 wordt dit uitgebreid met een ziekenhuis, en een aanbouw zodat het gebouw groot genoeg is voor 1300 kinderen.
Voor de bekostiging krijgt het Aalmoesseniers-Huis het recht een veelheid van kleine belastingen te heffen; van begrafenisheffingen tot hondenbelasting.

Het Burgerweeshuis blijft ondertussen ook groeien. In 1664, vlak na een grote pestepidemie, wordt onderdak verschaft aan 1000 wezen. Het complex is zeer zelfredzaam, het heeft eigen dokters, koks, schilders, timmerlieden zelfs een eigen brandweer. Door de relatieve geslotenheid en de goede verzorging ontsnapt men grotendeels aan de epidemieën die de stad teisteren. Vanaf de 18e eeuw gaan de zwakkere onder de wezen in de zomer twee maanden naar Zandvoort,  om aan te sterken. Ook dit kuren wordt later in eigen beheer gedaan, men bouwt een sanatorium in Bergen aan Zee nu bekend als het Zeehuis.

De 19e eeuw is een roerige periode voor de weeshuizen. Door het afschaffen van het poorterschap is het onderscheid tussen het Burgerweeshuis en het – veel schameler – Aalmoesseniersweeshuis weggevallen. In 1811 wordt voorgesteld deze twee instellingen samen te voegen. Het Burgerweeshuis kan dit voorkomen door sterk te bezuinigen. Inwoners van Amsterdam kunnen hun kinderen inschrijven voor het Burgerweeshuis, eerst voor vijftig gulden, later voor 1,50. Deze regeling is echter weinig succesvol en het aantal wezen neemt langzaam af.

Het Aalmoesseniersweeshuis telt in 1811 4304 kinderen, drie kinderen in één kribbe en dan nog moeten de kribben boven elkaar worden geplaatst. Het aantal vondelingen loopt op van 20 per jaar in de 18e eeuw naar 855 in 1817. Kenmerkend voor de omstandigheden in dit instituut is de het sterftecijfer onder deze 855, bijna de helft sterft voor het 10e levensjaar.
Uit onderzoek in 1815 blijkt dat van de 342 vondelingen die in 1792 zijn opgenomen er nog maar 64 in leven zijn, nog geen 20%. Van die 64 zijn er 44 maatschappelijk actief, meestal als soldaat of ‘dienstbode tegen een gering loon’.

Door een koninklijk besluit worden in 1820 wezen naar de (later) beruchte veenkoloniën gestuurd. Door af te zien van verdere subsidies plaatst het Burgerweeshuis zich buiten deze regeling, die alleen geldt voor armenzorg die afhankelijk is van rijkssubsidies. Hierbij komen de bezittingen van de voormalige kloosters goed van pas, deze stukken land zorgen voor een inkomen uit pacht en huur.

Het Aalmoesseniersweeshuis gaat in 1828 op in de Inrichting voor Stadsbestedelingen. Ondanks protesten van de Amsterdamse bevolking gaan alle kinderen van het Almoesseniersweeshuis naar Veenhuizen of Ommerschans. Na 1854 als het experiment mislukt is, zoekt men naar andere alternatieven. Directeur F. Beudeker bedenkt een gezinsverplegings regeling. Hierbij worden wezen voornamelijk buiten de stad bij gezinnen ondergebracht waar zij eenmaal per week worden bezocht. De gezinnen worden streng geselecteerd en de regeling wordt contractueel vast gelegd en goed gecontroleerd. Het geheel is een succes.

Het Burgerweeshuis blijft vasthouden aan de oude wijze. Terwijl andere weeshuizen de aanpak van Beudeker volgen en hun wezen in gezinnen onderbrengen, blijven de Burgerwezen binnen de muren en in het uniform.

Tegen het eind van de 19e eeuw worden een aantal kinderwetten aangenomen, gevolgd door de leerplichtwet van 1900. In dat jaar komt er in het Burgerweeshuis ook een eind aan het bestuur van de regenten. Het stadsbestuur benoemd een Commissie voor burgerlijk armenbestuur die verantwoordelijk wordt voor het teruglopende aantal wezen. Die terugloop is vooral te verklaren door de verbeterde gezondheidszorg. Vooral in de 17e eeuw wordt Amsterdam geteisterd door grote epidemieën waarbij ouders sterven en er veel wezen bijkomen.

Jongensplein met kastjes en boom

De typische Burgerwees-uniformen worden in 1919 afgeschaft, en vanaf 1921 geeft het dit weeshuis ook onderdak aan ‘gasthuiskinderen’ die tijdelijk worden opgevangen als moeder in het ziekenhuis ligt.
In 1925 vraagt de gemeenteraad B&W om alle wezen door het zelfde instituut te laten verzorgen. Uiteindelijk komt B&W in 1937 met een voorstel. In 1940 vordert de Duitse bezetter het gebouw van de stadsbestedelingen en verdwijnt het verschil.
In 1955 wordt opdracht gegeven nieuwbouw te ontwerpen aan het IJsbaanpad. In 1960 is dit gebouw gereed en verhuist het burgerweeshuis voor het eerst in 380 jaar naar een nieuwe plek. Er is dan nog maar één Burgerwees, de overige kinderen zijn afkomstig van de Inrichting van Stadsbestedelingen. De instelling veranderd van naam, eerst Sociaal-agogisch centrum en daarna (samen met andere instellingen) Spirit. Op het hoofdkantoor van Spirit worden nog steeds voorwerpen uit het Burgerweeshuis tentoongesteld.

Tussen 1968 en 1975 wordt het voormalige Burgerweeshuis aan de Kalverstraat ingrijpend verbouwd om onderdak te bieden aan het Amsterdams historisch museum, het huidige Amsterdam museum. Vooral aan de buitenzijde van het gebouw zijn nog veel aspecten van het weeshuis bewaard, onder andere de toegangspoorten en het grote jongens- en meisjesplein. Ook de kastjes voor de jongens die buiten een opleiding volgden is er nog, de boom op het plein is in 1898 geplant bij de geboorte van prinses Wilhelmina. Binnen het gebouw is de regentenkamer nog grotendeels intact.

Bronnen:

Het Amsterdams Burger-Weeshuys: een stadje in een stad
Amsterdamse hofjes
Liefde het fundament: 400 jaar Roomsch-Catholyk Oude Armen Kantoor te Amsterdam
Kinderen van Amsterdam: Burgerweeshuis, Aalmoezeniersweeshuis, Diakonieweeshuis, Sociaal-agogisch Centrum
Amsterdam burgerweeshuis
In het Weeshuis: de zorg voor de Burgerwezen van Amsterdam 1580-1960
Sint Antonivuur

Afbeelding:

AHM Collectie online

Tags: ,

Armenzorg vanaf 1795

Geplaatst in Algemeen op februari 4th, 2011 door Tom

19e eeuw

Vanaf de Franse tijd verliest Amsterdam zijn status als onafhankelijk bestuursorgaan, toch blijven particuliere en stedelijke instellingen voor armenzorg tot ver in de 20ste eeuw het belangrijkst.
In 1810 besluit de regering tot een tiëcering van de staatsschuld. Kort gezegt wordt de te betalen rente op de staatsschuld tot een derde teruggebracht. Begrijpelijk als je de economische positie in beschouwing neemt: Na 1715 is 70% (!) van de Hollandse inkomsten nodig om de rente over de staatsschulden te betalen. Helaas worden vooral instellingen van publiek belang getroffen door de tiëcering. Weeshuizen, armenhuizen, kerken en scholen zien een belangrijk deel van hun inkomsten wegvallen. Hierdoor wordt de armoede in Amsterdam goed zichtbaar, een kwart van alle inwoners is armlastig en 1/11 is zelfs noodlijdend (honger/dakloos) vermeld een regeringsrapport uit 1816.
Het is duidelijk dat er maatregelen moeten worden genomen. Koning Willem I neemt hiertoe een initiatief: In 1820 wordt er bij wet bepaald dat wezen, vondelingen, bedelaars en anderen zonder vaste verblijfplaats in zogenaamde veenkoloniën terecht komen. Zo wil men de armen uit de steden op het platteland een nieuw leven geven en opvoeden tot arbeiders en burgers.
Door een combinatie van afgelegenheid, verplichte winkelnering en beleidsfouten mislukt dit maatschappelijk experiment echter.

Beeldbank Stadsarchief Amsterdam

Na de nieuwe grondwet van 1848 volgt in 1854 ook een armenwet, daarin wordt de armenzorg opnieuw bij de kerken en andere particuliere instanties gelegd. In 1870 wordt dit nogmaals bevestigd door te stellen dat armenzorg “niet op de weg van den Staat ligt”. De armoede neemt in de tweede helft van de 19e eeuw zodanig toe dat kerkelijke en particuliere instellingen de toegenomen last niet alleen kunnen dragen. Industrialisatie zorgt voor een trek naar de stad, daar neemt het aantal arbeiders zo toe dat lonen op het laagst mogelijke peil belanden. De combinatie van gebrek aan ontslagbescherming en lage lonen betekenen dat werkeloosheid (nog steeds) gelijk staat aan armoede. Een samenloop van teruglopende landbouwopbrengsten en een oplopende werkeloosheid in de stad leidt na 1883 tot een ongekende toename van de armoede.
Dit leidt tot een voorzichtig begin van het begrip bestaansminimum. In Amsterdam kijkt de armenbedeling na 1894 niet of een persoon al bij een andere instelling wordt bedeeld maar hoeveel men ontvangt en naar de context (aantal kinderen etc.) Op nationaal niveau veranderd er weinig; de socialisten richten zich op verbetering van de arbeidsomstandigheden, de liberalen zien niets in een overheidstaak en de confessionelen vinden dat armenzorg bij de kerk hoort.

20e eeuw

De armenwet van 1912 is leidend, en deze bevestigd de status quo. Eerst zijn ouders en grootouders verantwoordelijk, dan de kerk of andere instellingen. Hierbij gaat men voorbij aan de toegenomen arbeidsmobiliteit waarbij (groot)ouders ver weg kunnen wonen. De gemeentelijke overheid steunt de instellingen voor armenzorg en grijpt pas in als hulp op valse gronden wordt geweigerd.  Armoede is geen economisch probleem maar een sociaal verschijnsel. De zogenaamde verheffing blijft noodzakelijk en afhankelijkheid van de zorg moet worden voorkomen. De uitkering vind plaats in natura of als loon voor werk.
“Geen brood in ledigheid… want de arbeid moet hen sterken:
De Hollandsche arm wete ook voor ‘t Hollandsch brood te werken.”
In de werkverschaffing komen bovenstaande punten samen, tijdens de crisis van de jaren dertig wordt dit middel dan ook ruimschoots ingezet. In Amsterdam wordt het Amsterdamse bos aangelegd. Tegelijkertijd betekend ook dit weer een verandering, de uitkering wordt tenslotte in geld verstrekt, niet in natura.

Door verbeterde gezondheidszorg neemt het aantal ouderen toe, dus ook arme ouderen. In 1913 komt er een invaliditeitswet met een basisinkomen voor iedereen boven de 70 jaar. Overigens blijven velen nog afhankelijk van de armenzorg, het gezegde ‘te weinig om van te leven, te veel om van te sterven’ geeft een indruk van de hoogte van de uitkering. Toch is dit een ommekeer omdat er sprake is van een algemene (dus nationale) uitkering.

Tussen de twee wereldoorlogen ontwikkeld de basisverzekering zich verder. Voor werkelozen zijn er twee uitkeringen: de werkeloosheidsverzekering en de steunregeling. De eerste gaat uit van de vakbeweging en is een onderling fonds, waarin men stort vergelijkbaar met risicodekking in  gildeverband. De steunregeling is wederom een laatste redmiddel. Omdat niet alle arbeiders en beroepsgroepen zijn georganiseerd en/of een fonds hebben is van een algemene regeling geen sprake. Vooral in de jaren dertig hebben grote groepen werkelozen het moeilijk. Door het ontbreken van controle op steun, die bij de armenzorg wél aanwezig is, wordt gevreesd voor ‘arbeidsschuwheid’. Gemeenten harmoniseren onderling het beleid waardoor het idee van bestaansminimum aan kracht wint, al ligt dit bestaansminimum bij het voorkomen van hongersnood.

Beeldbank Stadsarchief Amsterdam

In de tweede wereldoorlog wordt door de geallieerden een aantal sociale grondrechten geformuleerd, in dat kader gaat ook de Nederlandse regering van start met nieuw beleid. De Duitse bezetter voert ondertussen de kinderbijslag en de gezondheidsverzekering in, beide algemeen. De term ‘verzorgingsgedachte’ valt voor het eerst.
Na 1945 neemt de werkgelegenheid toe zodat alleen bejaarden, invaliden en alleenstaande vrouwen een beroep doen op de armenzorg. een stap in de richting van de verzorgingsstaat die er uiteindelijk in 1963 komt met de bijstandswet. Deze wet regelt uiteindelijk het bestaansminimum waar iedereen aanspraak op kan maken. Dat hiermee de armoede niet is uitgebannen blijkt uit de oprichting van de voedselbank in 2002.

Bronnen:

Kinderen van Amsterdam: Burgerweeshuis, Aalmoezeniersweeshuis, Diakonieweeshuis, Sociaal-agogisch Centrum
De Poort: de Oudemanhuispoort en haar gebruikers, 1602-2002
Amsterdamse gasthuizen vanaf de middeleeuwen
Van Pauperzorg tot bestaanszekerheid

Afbeeldingen:

Stadsarchief Amsterdam

Tags:

Armenzorg tot 1795

Geplaatst in Algemeen op januari 30th, 2011 door Tom

De stad en de armoede

De stad is de plek waar armoede zich toont, op het platteland wonen natuurlijk ook armen maar daar is iedereen is ongeveer even arm of anders zijn de verschillen zo groot dat men elkaar nauwelijks tegenkomt. In de stad is armoede zichtbaar, arm en rijk komen elkaar tegen en wonen dicht bij elkaar, zonder betaalde arbeid is men snel arm. De armenzorg is dan ook bij uitstek een stedelijke instelling.

Vanuit een historisch perspectief is het begrip armoede relatief, in de 21e eeuw denken we bij armoede aan weinig bezit, weinig reserve, slecht en weinig eten. Zo bezien leeft het grootste deel van de historische Amsterdammers in armoede.
Anderzijds is men tot in de 20ste eeuw pas arm als men honger heeft en/of fysiek leidt. Opvang wordt geregeld door familie, gilde, buren en de kerk in die volgorde. De armenzorg beperkt zich tot het voorkomen van hongersnood, en dan slechts tijdelijk.
Langdurige armoede wordt gezien als een keuze, ondersteuning leidt tot luiheid. Hieruit volgt het verheffen van de armen, de arme moet worden gestimuleerd, aangespoort en desnoods gestraft als hij niet (letterlijk) meewerkt. Om misbruik te voorkomen komt er controle en registratie.
In tijden van tegenspoed zijn er te weinig middelen, wie wordt bedeeld en wie niet? Men wordt beoordeeld en veroordeeld, dit leidt ook in goede tijden tot uitsluiting. Misdadigers, dronkaards, ongehuwde moeders en andere niet aangepasten worden niet geholpen. Zij proberen te overleven door te bedelen, en te stelen. De roep om verheffing danwel straf klinkt, en zo is de cirkel weer rond.

Onschuldigen

Kinderen, gehandicapten, krankzinnigen en de zeer ouden vormen de uitzondering. Zij zijn de onschuldigen en vallen buiten de standen, middeleeuwse begrippen die  tot in de 19e eeuw de armenzorg verdelen. Er zijn vier standen: de koning, de edelen, de kerk en de rest. Iedereen heeft een door God bepaalde positie en is verantwoordelijk voor de lagere stand. Onschuldigen vallen buiten deze rangorde en zijn niet verantwoordelijk voor zichzelf.
Voor deze onschuldigen ontstaan al vroeg in de Amsterdamse geschiedenis voorzieningen die eeuwen lang blijven bestaan. Omdat deze instellingen hun sporen in de fysieke stad hebben nagelaten worden zij elders apart behandeld, ik beperk mij in dit artikel tot een algemene geschiedenis en de veranderende situatie voor gezinnen en alleenstaanden.

Aalmoezeniers op huisbezoek

Historische ontwikkeling

In de middeleeuwse stad zijn drie gasthuizen die iedereen zonder vaste verblijfplaats verzorgen: varende lieden, landlopers en bedelaars, reizende geestelijken, pelgrims, kinderen, bejaarden en zieken. Alleen de laatste drie groepen kunnen langer dan drie dagen blijven. Alle gasthuizen worden beheerd door de kerk, de stad betaald mee. Het oudste gasthuis bevind zich achter het oude stadhuis aan de Dam (toen nog de Plaets) en wordt voor het eerst genoemd in 1364. Het tweede en derde huis bevinden zich in de Nes en op de Nieuwendijk. In 1422 komt er een vierde gasthuis, tegenover de Heilige Stede, tussen Kalverstraat en Begijnensloot. Overigens worden reizigers en zieken wel gescheiden. Wegens besmettingsgevaar worden er buiten de stad ook een apart pesthuis (WG-terrein) en leprozenhuis (Waterlooplein) gesticht. De gasthuizen gaan zich later steeds meer op zieken richten en veranderen uiteindelijk in ziekenhuizen.

Vanaf ongeveer 1370 worden door de stad ‘vier goede eerzame’ lieden aangewezen die de arme huyssittende luden met geld, eten, turf en soms met inwoning helpen. Het huyssitten is hier te lezen als werkeloosheid. De bedeeling gebeurd eerst vanuit huiszittenkappellen in de kerk(en) en later vanuit hun voorraadhuizen: de Huiszittenhuizen.

Ene Jan Paarslaken stelt ook een aantal huisjes ter beschikking voor gratis kost en inwoning, waarschijnlijk aan ouderen.
Tot de alteratie is de gehele armenzorg een taak van de kerk. Door de verplichting van goede werken krijgt de kerk geld om de armen te verzorgen. Er wordt uitgebreid gecollecteerd (ook buiten de kerkdienst) en er wordt gedoneerd via legaten en giften. Soms met de bepaling dat moet worden gebeden voor het zielenheil van de gever.
Na de reformatie vervalt de verplichting van goede werken. Al snel neemt de stedelijke overheid de armenzorg over. Maar waarom doet zij dat? In de bijbel, de basis van de protestantse leer, wordt de verplichting tot armenzorg zeker genoemd. “Ik was hongerig en u gaf mij te eten” zegt Jezus. Maar Hij spreekt tot het individu, niet over armenzorg als instituut. Waar komt het uitgebreide stelsel van armenzorg, waar Amsterdam in de 18e eeuw beroemd om is, dan vandaan?

Armenzorg en openbare orde

Met de opstand is de bestaande orde radicaal gewijzigd, er is geen koning meer, het gezag van de kerk is ondermijnd, edelen maken niet langer de dienst uit in de Staten. Men heeft behoefte aan orde en ordening. Armenzorg is een goede manier om onrustige elementen in de samenleving te controleren, op hun plaats te brengen en te houden.
Waarom deze controle?
Amsterdam is deels afhankelijk van de Oostzeehandel voor de eerste levensbehoeften. De Amsterdamse handelaren exporteren haring, zuivelproducten en zout naar Duitsland, Polen en de Baltische staten. De retourvracht bestaat vrijwel geheel uit granen, die in de vochtige Hollandse grond nauwelijks willen groeien. Naast brood is ook bier een eerste levensbehoefte omdat het Amsterdamse water vuil is en melk bederfelijk. In de 16e eeuw gaat 80% van het loon van de ongeschoolde arbeider op aan voedsel en drinken. Werkeloosheid betekent honger. Zonder armenzorg liggen onrust en oproer op de loer.
Anderzijds zijn de rijken kwetsbaar. Het moderne bankwezen met papiergeld, rekeningcourant etc. is onbekend. Dat betekend dat rijkdom bezit is, goederen, munten, onroerend goed, etc. Vaak moeilijk te verplaatsen, en gemakkelijk kwijt te raken door oproer.

Er ligt natuurlijk een paradox in dit verhaal: bij economische neergang is men genoodzaakt de toegang tot de armenzorg te beperken terwijl het aantal armen toeneemt. Bij economische groei worden er aanvullende maatregelen genomen etc. Ook na de Fanse tijd, als de wetgeving nationaal niveau wordt bepaald, blijft de economie het beleid beïnvloeden.

De stad is niet de enige die armenzorg verstrekt. Particulieren richten instellingen voor ouderenzorg op (bijvoorbeeld hofjes) overigens vaak om geloofsgenoten te huisvesten. De armenzorg komt zo ook de religeuze tolerantie ten goede: reeds in 1620 wordt de Roomse Armenverzorging als aparte instelling gedoogd en in 1661 officieel toegelaten. Wanneer andere geloofsgemeenschappen voor erkenning aankloppen wordt het onderhouden van de eigen armen dan ook steeds als voorwaarde genoemd. Hierdoor wordt de armenzorg opnieuw een taak van de kerk.

Waar de stad zich bemoeid met armenzorg betreft het de openbare orde. Er worden een rasphuis en een spinhuis gesticht om gezonde bedelaars in op te vangen en aan het werk te zetten. Deze instellingen veranderen echter na verloop van tijd in tuchthuizen waarin misdadigers en prostituees worden opgesloten. Door middel van keuren probeert men het bedelen aan banden te leggen, in 1613 wordt het helmaal verboden. In dat jaar sticht het stadsbestuur het Aalmoesseniers-Huis een instelling speciaal voor de laagste klassen. Een instelling met een brede doelgroep: kinderen opvangen, kwaadaardige ziekten genezen, bedelaars naar het spin- en rasphuis sturen, reizigers zonder geld wegsturen en lijken begrafen.

Uitdeling van brood in het Aalmoezeniershuis

Paleizen voor de armen

Na de reformatie heeft de stad het grote aantal kloosters ingezet om de armenzorg te reorganiseren en huisvesten. Het Burgerweeshuis, Oudemannenhuis, Binnengasthuis, Rasphuis en Huyszittenweduwenhuis krijgen kloosters toegewezen. Daarnaast ontstaat in de 17e eeuwse uitleg ook ruimte voor instellingen, het Diakonie oude-vrouwenhuis (nu Hermitage), en het Aalmoesseniersweeshuis (nu Paleis van Justitie) zijn hier voorbeelden van. Deze grote en goed georganiseerde instellingen krijgen internationale bekendheid en veel (betalende) bezoekers.

Na de vierde Engelse oorlog (1780-1784) gaat het snel bergafwaarts met de economie. Door een combinatie van het wegvallen van de internationale handel en krimp van de interne markt krijgt de economie harde klappen. Door de verlichting en de Franse revolutie zijn de ideeën over armenzorg veranderd. Niet langer is armoede een mogelijkheid om barmhartigheid te tonen, maar een last die moet worden gedragen.

In een volgend artikel ga ik verder met de ontwikkelingen in de armenzorg in de 19e en 20ste eeuw.

Bronnen:

Kinderen van Amsterdam: Burgerweeshuis, Aalmoezeniersweeshuis, Diakonieweeshuis, Sociaal-agogisch Centrum
De Poort: de Oudemanhuispoort en haar gebruikers, 1602-2002
De rijke Republiek: gilden, assuradeurs en armenzorg 1500-1800
Amsterdamse gasthuizen vanaf de middeleeuwen
Van Pauperzorg tot bestaanszekerheid
Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578

Afbeeldingen:

AHM Collectie online

Tags:

Gilde

Geplaatst in Algemeen op december 31st, 2010 door Tom

Verbanden van de midden-stand

Vanaf de vroege middeleeuwen wordt het begrip gilde gebruikt om verschillende organisaties te beschrijven: Broederschap, compagnie, sociëteit, college en gilde worden door elkaar gebruikt. Dit is te verklaren uit de middeleeuwse wetgeving waar de ziel of het individu de norm is, men kent geen rechtspersonen zoals de huidige stichting of vereniging.
Nadeel van het gebrek aan wettelijke status is het onvermogen om leden die zich niet aan de afspraken houden te straffen. De zwaarste straf die een gilde kan opleggen is uitsluiting, zelfs als er sprake is van flinke economische schade. Het gilde kan geen boetes opleggen of goederen confisceren, omdat de middeleeuwse rechtspraak dit niet toelaat. Onderlinge controle is een noodzaak die ook een sociale rol gaat spelen in een stad die groot genoeg is om tot anonimiteit te leiden.
Het gilde kent verschillende verschijningsvormen en voorziet in behoeften op sociaal, economisch en politiek vlak. In steden als Utrecht, Antwerpen en Brugge hebben gilden een belangrijke rol in het stadsbestuur en voorzien als zodanig in de behoefte van inspraak. Binnen Amsterdam zijn gilden nooit tot deze positie gekomen, omdat de stad later is ontstaan dan voornoemde steden. De positie van de burgermeesters voorkomt dat de gilden zoveel macht krijgen.
De behoefte aan vormen van verzekering en risicodekking worden ook in gildeverband vervult. Vooral rijkere gilden hebben een kas voor ondersteuning bij ziekte of overlijden. Als laatste kan een gildelidmaatschap ook status geven, bijvoorbeeld door een fraai gildehuis of -altaar. Toch zijn genoemde zaken nooit het hoofddoel van een gilde. Gilden worden opgericht als vereniging van leden op het gebied van religie, economie of of stadsverdediging. De overeenkomsten vinden we verder in de éénkoppige leiding en poorterschap van gildeleden. Sterker nog binnen Amsterdam moeten alle ambachtslieden Poorter zijn. Binnen Amsterdam ontstaan en groeien gilden samen met de nederzetting.

Ingang gildehuis van het Wijnkopersgilde

De koppeling tussen gilde en poorterschap is geen toeval en gaat terug naar de scheiding tussen stad en platteland die tot 1798 bestaat.
Tot die tijd dankt Amsterdam zijn onafhankelijkheid ten opzichte van hertog en stadhouder aan vier zaken.
1. Wet. Stadsrechten, Keurrecht en andere privileges;
2. Schutterijen. Verdediging van de stad en orde bewaren;
3. Armenzorg;
4. Economische gilden. Zij geven burgers de kans een stabiele middenstand te vormen en nemen een belangrijk deel van het bestuursapparaat voor hun rekening. Als voorbeeld noem ik het Haringpakkersgilde. Dit gilde zorgt voor belasting inning op gezouten haring. De keurmeester, aangesteld door het gilde, controleert de kwaliteit van de haring die in tonnen wordt verpakt. Hij verzegelt de tonnen en garandeert daarmee de kwaliteit en de hoeveelheid. De haring wordt vervolgens via de Oostzee naar bijvoorbeeld Gadansk vervoerd waar men ze verhandelt. Door het zegel kunnen kopers aldaar vertrouwen op de kwaliteit en kwantiteit, hierdoor krijgen handelaren een gegarandeerde prijs. Daardoor blijven de kosten laag en wordt Amsterdam een populaire handelspartner. De Oostzeehandel vormt de basis van de Amsterdamse handel en staat aan de wieg van de gouden eeuw. Op hun beurt gebruiken gilden de verkregen positie om invloed uit te oefenen op het (economische)beleid. Omdat gildeleiders gekozen worden krijgen gildeleden zo op stadsniveau enige inspraak. Welliswaar zeer beperkt en indirect, maar het zelfde geldt voor de moderne kiezer.

De onafhankelijkheid van Amsterdam ten opzichte van de provincie eindigt met de Franse bezetting en het invoeren van de eerste grondwet. Gilden worden daarmee afgeschaft, hoewel dat niet zonder meer gebeurd. Reeds in 1795, vlak na de Franse invasie, worden de eerste pogingen gedaan het gildestelsel op te heffen. Gilden presenteren zich als organisaties van oprechte burgers, de ruggengraat van de samenleving. Daarmee gaan zij voorbij aan de grote verschillen die zijn ontstaan tussen de bevolking in de steden en op het platteland:

  • Grote verschillen in behandeling voor de wet door poorterschap en gildelidmaatschap;
  • Ambachtslieden buiten het gilde vallen zijn buiten het systeem van controle en daardoor worden hun producten voor aanzienlijk lagere prijzen verkocht en verhandeld;
  • Het gildesysteem is sterk plaatsgebonden en past niet in een nationale politiek;
  • De monopolies van gilden passen niet in de opkomende industriële samenleving.

Ingang St. Lucasgilde (schilders) aan de Waag

Hieronder volgt een korte uitleg van religieuze en economische gilden, door hun wezenlijk andere taak verdienen krijgsgilden (schutterijen) een apart artikel.

Religieuze gilden

Tot de Alteratie hebben alle gilden een patroonheilige en soms zelfs een altaar in de kerk. Een beeld van deze heilige wordt meegedragen in één of meer jaarlijkse processies die binnen de stad plaatsvinden.
Daarnaast zijn er een aantal religieuze gilden actief in de stad. Zij hebben een kapel of altaar gewijd aan de patroonheilige en organiseren regelmatig gebedsdiensten (voor overleden) leden. Deze gilden zijn ook verantwoordelijk voor het oprichten van de vier gasthuizen in de stad hiermee tegemoet komend aan de verplichting van goede werken. Met de Alteratie verdwijnen de religieuze aspecten uit het gildeleven. Door de veranderde religieuze denkbeelden is het in gezamenlijk verband bidden voor de zielen van overledenen niet langer nodig, de religieuze gilden worden opgeheven. De stedelijke overheid neemt de zorg voor de gasthuizen over.

Ambachtsgilden

Ambachtsgilden zijn gericht op de stabiliteit van prijs en kwaliteit. Ambachtsgilden zijn monopoliehouder, maar zij gaan hier flexibel mee om. Zo worden er bijvoorbeeld producten van andere gilden verkocht en kunnen ambachtslieden van elders toetreden tot het gilde. Om prijs en kwaliteit stabiel te houden organiseren ambachtsgilden een leerlingstelsel waarbij binnen het gilde het vak wordt geleerd. Na een leertijd van ongeveer 5 jaar bij verschillende meesters kan de leerling toetreden als gezel. Nu kan hij bij een meester in dienst treden tegen een vaste vergoeding. Door het afleggen van een meesterproef krijgt ontstaat de mogelijkheid een eigen bedrijf of winkel te beginnen.
Het gilde zorgt zo voor beperking van het ondernemers risico. Voordeel is een gering aantal aanbieders waardoor een ambachtsman grondstoffen en tijd kan investeren terwijl hij is verzekerd van een goede opbrengst. De afnemers krijgen zo een gegarandeerde kwaliteit.
Nadeel is het wegvallen van de noodzaak tot innovatie. Dit leidt tot een conservatieve instelling waarbij vernieuwers worden geweerd of gedwongen de bestaande methoden te gebruiken. De economische achterstand van Nederland ten opzichte van andere Eest-Europese landen, eind 18e eeuw, is deels veroorzaakt door het verzet tegen industrialisatie van de ambachtsgilden.
Uitsluiting van het gilde betekend dat het ex-lid de naar een andere stad moet verhuizen om zijn ambacht uit te oefenen.

Handelsgilden

Handelsgilden vormen enerzijds bescherming tegen kwaadwillend gezag elders en dienen anderzijds als waarborg voor de afnemer.
Handelaren die samen in een gilde opereren kunnen een bestemming boycotten. Voor het gezag aldaar betekend dit een lager inkomen uit accijnzen en mogelijk tekorten van bepaalde goederen. De afnemers kunnen bij wanprestatie van één gildelid de goederen van een ander gildelid confisqueren. Door de grote afstanden en slechte communicatie is de onderlinge controle bij een handelsgilde lastig, maar voor leden van het gilde betekend uitsluiting het einde van de handelscarrière, vertrouwen staat immers aan de basis van alle handel. Handelsgilden zijn in Amsterdam nooit belangrijk geweest omdat reeds in de 16e eeuw de bestuurselite wordt gevormd door handelaren met nauwe (familie) banden. Deze nauwe banden maken het werken in een formeel gildeverband overbodig.

Gilden van dientstverleners

Onder de noemer dienstverlening valt een grote verscheidenheid aan beroepen, de gilden bestaan bij de gratie van een monopolie op deze diensten, verleend door het stadsbestuur.
De gilden gebruiken dit monopolie om de leden een stabiel inkomen te geven. Gilden in deze categrorie kunnen zeer rijk zijn met veel invloed maar ook bestaan uit dagloners. Twee voorbeelden: het korenmetersgilde en het korendragersgilde. Korenmeters bepalen de hoeveelheid scheppen graan in een betaalde transactie. inhoud van Het Korenmetersgilde bestaat uit lieden die hoogst betrouwbaar en niet omkoopbaar (dus goed betaald) zijn. Het Korendragersgilde bestaat uit dagloners. Dagloners, de naam zegt het al verdienen net genoeg om te leven en hoeven dus veel minder betrouwbaar te zijn. Bij de korenmeters is uitsluiting funest, hij kan hierna alleen nog elders als dagloner (!) aan de slag. Voor een korendrager levert uitsluiting nauwelijks nadeel op, hij is dagloner. Diefstal is dan ook het enige waar een korendrager voor zal worden uitgesloten. De wet straft diestal met het afhakken van een hand. Er bestaan dan ook geen wetten die omkoping bestraffen wel wetten tegen diefstal.

Bronnen:

http://www.iisg.nl/hpw/papers/guilds-prak.pdf
http://eh.net/encyclopedia/article/richardson.guilds
Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578

Tags:

Oudemanhuispoort

Geplaatst in 1602, 1754, Centrum op december 17th, 2010 door Tom

Bejaardenhuis avant la lettre

De Oudemanhuispoort is feitelijk een steeg met aan beide zijden een poort en daartussen ook nog een poortje. De naam komt van het voormalig Oudemanhuis dat zich aan de noordzijde van de steeg bevond. Dit deel van het complex is in 1602 gebouwd in de boomgaard van het Oude nonnenklooster (Sint Mariënveldklooster)

Beeldengroep aan de Kloveniersburgwal

Het Oudemanhuis is één van de voorzieningen die in Amsterdam zijn gesticht voor ouderen zonder kinderen. Een stad als Amsterdam kent meer opvang voor oude lieden, naast de hofjes zijn er zogenaamde proveniershuizen. Dit zijn plaatsen waar de beter gesitueerden zich kunnen inkopen. De echte arme oude lieden (zonder kinderen) zijn aangewezen op burenhulp en de openbare armenzorg. Mocht men zonder onderdak komen dan blijft helaas alleen bedelarij over.

Het Oudemanshuis is met een stichting in 1548 één van de oudste oude lieden huizen. Het is begonnen in de Kalverstraat als Oudemannen- en vrouwengasthuis. De mannen verhuizen als snel naar een gasthuis tegenover de Heilige stede, de plek van het huidige Amsterdam museum. Zoals veel andere stichtingen is dit niet voor de aller armste lieden zoals blijkt uit de bepaling dat men o.a. een goed bed, ruim beddengoed, twee stoelen en gordijnen moest meebrengen.
Om in het huis te kunnen wonen moest men poorter, ouder dan 50, ongehuwd en kinderloos zijn. Zoals gebruikelijk zijn er ook nogal wat bepalingen over gedrag en gehoorzaamheid.
De regenten voeren echter een vrij willekeurig beleid van opname en in de praktijk blijken ook anderen te worden toegelaten. Relaties en invloed spelen hierbij zeker een rol.

Eind 16e eeuw hebben zowel het oudemannenhuis, als het aangrenzende burgerweeshuis ruimte tekort. De oplossing wordt gevonden in een loterij ten behoeven van een nieuw te bouwen oude mannen- en vrouwenhuis.
Deze loterij is een groot succes en nieuwbouw wordt in 1600 gestart. De gebouwen zijn fraai uitgevoerd en gelegen rond een binnenplaats met siertuin en bleekveld. Bezoekers melden de bijzonder luxe uitstraling van dit huis bij de bouw. Bij een gravure van het gebouw valt te lezen: ‘je vraagt je af or er in dit schitterende gebouw koningen wonen? Het is een paleis voor armelui’

Reeds in 1614 wordt het complex als oude mannenhuis aangeduid terwijl er altijd (ook) vrouwen wonen. De maximale bezetting wordt eind 16e eeuw bereikt als er 200 oude mensen wonen, voorzien van kost en inwoning.

In 1754 wordt het huis uitgebreid verbouwd dan worden ook de poorten aan de beide zijden toegevoegd. De binnenpoort en de poort aan de zijde van de Kloveniersburgwal zijn ontworpen door Abraham van der Hart, stadsbouwmeester. Het beeldhouwwerk is van Anthonie Ziesenis. Het is een voorstelling van de Mildheid met de hoorn der overvloed, het boek der wijsheid en de lamp van inzicht. Geflankeerd door armoede en ouderdom. De poort aan de Oudezijds achterburgwal, is versiert met een bril als het symbool van ouderdom.

Oudemanhuispoort - Oudezijdsachterburgwal

Doordat de boeken verloren zijn gegaan is de financiële gang van zaken niet geheel duidelijk. Uit verzoeken aan de burgemeesters blijkt echter een bijna permanent begrotingstekort. Door de economisch zware tijden wordt het huis in 1800 proveniershuis. De bedragen die men betaald lopen uiteen van 600 tot 2000 gulden. Door deze voorwaarden loopt het aantal bewoners snel terug. In 1831 wonen dan nog maar ‘een dertigtal’ oude lieden. Veel rust krijgen deze lieden echter niet van hun geld; rond deze tijd zoekt het stadsbestuur namelijk een plek voor het verplegen van de verwachte slachtoffers van van de cholera. Die ziekte verspreid zich vanuit het zuiden van Europa. Omdat het complex goed is af te zonderen van de rest van de stad kiest men voor het Oudemanhuis. De epidemie is minder heftig dan gevreesd want kort daarna wordt ook het museum Van der Hoop in het gebouw gevestigd. Wat er met de oude lieden gebeurd is niet bekend, zeker is dat zij niet terug kere. Delen van het huis worden ook gebruikt als hulphospitaal door het naast gelegen binnengasthuis en vanaf 1836 tot 1875 wordt het complex ook nog gebruikt door de Academie voor beeldende kunsten. Met als voorwaarde dat het complex ontruimd wordt als er een cholera epidemie dreigt. Het moge duidelijk zijn dat dit voor de nodige vrijving zorgt.
Vanaf 1877 krijgt Amsterdam een officiële universiteit. De Universiteit van Amsterdam wordt gevestigd in het Oudemanhuis en maakt daar tot op heden gebruik van. Ook de boekverkopers binnen de poort zijn al lange tijd actief, reeds 125 jaar geleden waren er boekwinkeltjes gevestigd.

Bronnen:
De Poort: de Oudemanhuispoort en haar gebruikers, 1602-2002
Het Amsterdams beeldenboek: vier eeuwen buitenbeelden (1600-heden)
Geschiedenis van Amsterdam: Deel I. Een stad uit het niets, tot 1578
Geschiedenis van Amsterdam, Deel II-1. Centrum van de wereld 1578-1650

Tags: , , ,

Hofje van Brienen

Geplaatst in 1806, Centrum op december 3rd, 2010 door Tom

Of: de geschiedenis van Van Brienens gesticht ‘De Star’

Het verhaal gaat dat Arnold Jan van Brienen bezig was in een kluis in zijn kelder toen de zware kluisdeur dichtviel. Zijn (schijnbaar erg luide) gebed tot verlossing werd enige uren later verhoord, en zijn huisgenoten wisten hem te bevrijden. Uit dankbaarheid besloot hij een hofje te bouwen. Als een van de weinige hofjes in de stad is Van Brienens gesticht de Star gesticht bij het leven van de stichters Arnoud Jan van Brienen (1735-1804) en Sophia Maria (van) Half-Wassenaer (1727-1802).

Versiering boven de hoofdingang

Het hofje is gebouwd op het terrein van Brouwerij de Star en heet officieel dan ook ‘Van Brienens hofje De Star’. De brouwerij is in 1692 gestart op drie percelen aan de Prinsengracht plus de achterliggende percelen. Later koopt de brouwerij ook nog de percelen aan beide zijden. In 1795 koopt Van Brienen deze grond op een veiling en twee jaar later geeft hij opdracht aan Abraham van der Hart om een hofje te ontwerpen. Zij kennen elkaar omdat Van der Hart in 1784 een gebouw heeft ontworpen voor het R.C. Maagdenhuis, waar Van Brienen regent is.

Door slechte economische omstandigheden na de stichting van stichting van de Bataafse republiek (1795) wordt start van de bouw uitgesteld tot 1803. De eerste bewoners komen in 1806, Rooms katholieke minvermogenden die anders tot armoede zouden vervallen. Het hofje is bedoeld voor mannen, maar vanaf het begin zijn ook echtparen en alleenstaande vrouwen welkom. Omdat mannen niet in staat worden geacht een huishouden te voeren worden weduwnaars zelfs van het hofje verwijderd, met als gevolg dat er soms alleen vrouwen op het hofje wonen.

Van de buitenzijde oogt het hofje streng met een hoge blinde muur, en alleen rond de hoofdingang enige versiering. Bij de bouw is ook de binnenplaats streng verdeeld in vier bleekvelden maar vanaf de jaren dertig van de 20ste eeuw komen er tuin elementen die leiden tot het huidige, vriendelijke karakter. De Regentenkamer, de kapel en de portierswoning zijn aan de voorzijde gevestigd. De zijbeuken zijn voor echtparen en alleen wonende mannen, de kleinere woninkjes aan de achterkant vormen het weduwenhof. Boven de woningen zijn tot 1886 graanzolders die worden verhuurd om de kosten van bedeling te dekken. Door teruglopende inkomsten uit verhuur van de zolders besluit men deze te verbouwen tot woningen.

Het beheer en onderhoud is in handen van de portier(ster). De portier huurt werklieden in voor reparaties en klein onderhoud en verzorgt de schoonmaak van de voorzijde, hij houdt ook toezicht op het komen en gaan van bewoners en controleert de schoonmaak van de binnenplaats en de woningen. De portier is ook verantwoordelijk voor het openen en sluiten van de poorten en mag de sleutel onder geen beding afgeven.

Eerst worden de kosten voor onderhoud en bedeling betaald door de Van Brienens. Vanaf 1839 wordt het hofje ondergebracht in een stichting door Arnold Willem van Brienen kleinzoon van de stichters. Er komt een College van drie Regenten en de afstand tussen hofje en regenten neemt steeds meer toe. Zo wordt de portier belast met het op de hoogte stellen van het overlijden van een bewoner, zodat de regenten een nieuwe kunnen kiezen. De administrateur is de feitelijke bestuurder die opereert namens de regenten. Hoe groot het vertrouwen is blijkt uit het feit dat vader, zoon en kleinzoon Westerwoudt samen 85 jaar lang deze functie vervullen. In 1954 wordt de administrateur zelfs gemachtigt nieuwe regenten te benoemen. Verschillende leden van de familie Van Brienen zorgen in eerste instantie voor een gezonde financiële situatie. Omdat het vermogen in staatsobligaties is belegd komen de verschillende geldontwaardingen in de eerste helft van de 20e eeuw hard aan. De bedeling wordt na 1940 zeer moeilijk en in 1948 zelfs geheel gestopt. Vanaf 1951 wordt aan bewoners een bijdrage in het onderhoud gevraagd. Aanvankelijk 2,50 per maand, loopt dit in 1976 op tot 65,- per maand en in 1986 220,- per maand. Dan wordt het ook formeel huur en kan huursubsidie worden aangevraagd.

1816 -

Beeldbank Stadsarchief - Gerrit Lambrets

De moderne tijd gaat niet voorbij aan het hofje, hoewel sommige dingen ook hardnekkig het zelfde blijven. Reeds in 1890 wordt er een duinwaterleiding aangelegd .Ondertussen wonen er geen echtparen meer op het hof, met het samenvoegen twee kamertjes worden een paar woningen uitgebreid.In 1961 worden de zeer kleine huisjes verbouwd maar niet vergroot, de bedsteden worden verwijderd en bewoners krijgen een inpandig toilet. In 1972 wordt er opnieuw verbouwd, de woningen worden vergroot en gaan van 40 naar 21.
De grote veranderingen komen echter van de bewoners zelf: in 1956 komt er een breed gesteund verzoek tot verruiming van de openingstijden. Hoewel ook de portier klaagt dat hij ‘s avonds laat het bed uit moet om de poort te openen, krijgen bewoners pas in 1976 een eigen sleutel. In 1991 ontstaat onder leiding van de portierster een bewonerscommissie, die contacten gaat onderhouden met de regenten.

Bestuurlijk ontstaat van 1984 een samenwerking met het R.C. Maagdenhuis. De financiële situatie is dan nijpend terwijl er een aantal structurele bouwkundige problemen zijn. De voorgaande renovaties zijn wegens geldgebrek niet ingrijpend genoeg geweest, er zijn problemen met vocht in de souterrains, tocht in de woningen en een gammele gang op zolder. De dunne muren zijn gehorig en het sanitair is sterk verouderd. De enige oplossing is een ingrijpende renovatie. Die wordt geschat op 5 miljoen, men krijgt uit monumentenzorg 2 miljoen maar verder is het geld op. De oplossing komt in de vorm van van woningbouwvereniging Het Oosten. Die krijgt het hofje in 1995 in eigendom en start in dat zelfde jaar met een verbouwing die 14 maanden duurt.
Geen van de oude bewoners keert na renovatie terug zodat kan worden gesproken van een nieuwe start in 1997.

Het hofje wordt nu bewoond door dames en heren ouder dan 50 en is iedere werkdag geopend van 6.00 tot 18.00 en op zaterdag van 06.00 tot 14.00
Zoals altijd bij bezoek: respecteer de rust op het hof en de privacy van bewoners.

Bron:

Hofje van Brienen, twee eeuwen Amsterdams hofjesleven

Tags: